Van sigarenburcht tot cultuurpaleis

1996 is het jaar in het industriële erfgoed. Onder dit begrip wordt een veelomvattende reeks historische objecten verstaan. Daartoe behoren in de eerste plaats oude fabrieken en werkplaatsen die vaak hun oorspronkelijke functie verloren hebben en met sloop worden bedreigd. Soms krijgt zo'n gebouw een nieuwe bestemming. De al lang sigarenfabriek van Willem II was ooit de hoeksteen van de Bossche wijk 't Zand. In zekere zin is het dat nog steeds. Zeven en laatste deel van een serie over industriële monumenten.

Het complex van de voormalige sigarenfabriek aan de Boschveldweg in 's-Hertogenbosch ziet er uit als een kasteel, compleet met een toren met kantelen waarin het trappenhuis is gevestigd. Het maakt een wat sombere indruk wat vermoedelijk komt door de donkerkleurige baksteen in waalformaat waarin het is opgetrokken. Op de gevel is een kleurige kroon geschilderd. Op de gevel staat ook de naam Willem II. Maar de oorspronkelijke eigenaresse was de firma Goulmy en Baar. Die maakte er sigaren vanaf de bouw eind vorige eeuw tot 1929, toen de zaak werd verkocht aan Willem II. Goulmy en Baar bestaat intussen niet meer.

Sinds 1948 zijn de gebouwen, die van de gemeente zijn, niet meer als fabriek in gebruik. In het complex zit een groot aantal culturele activiteiten: het Bossche Popcollectief dat er een concertzaal en volstrekt geluiddichte oefencabines heeft, een grafische werkplaats, kunstenaars die er ateliers hebben, de Bossche Koninklijke Harmonie die er oefent en de expositieruimte Artis.

Het is in vooral die laatste zaal dat de fantasie over het verleden kans krijgt om tot leven te komen. Hoewel door afscheidingen met muren de ruimte niet meer in haar volle omvang te zien is, kan men zich met een beetje goede wil voorstellen hoe hier de sigarenmakers - mannen en vrouwen - aan hun tafels zaten, keurig in het gelid als eindexaminandi in een gymnastiekzaal. In de hoogtijdagen waren het er 500. Toen was het de grootste sigarenfabriek van Nederland.

Men ziet er de nog de voor de bouw kenmerkende stalen kolommen die door alle drie de verdiepingen lopen, de gebogen stalen constructies in de plafonds en de rondboogramen. Op het moment van het bezoek werd de ruimte in gereedheid gebracht voor de uitvoering van het stuk Noë van de United Cowboys in het kader van het Bossche Boulevardfestival. De treden van de trappen zijn, hoewel uitgevoerd in hardsteen, door de honderdduizenden voeten die er in de loop der decennia overheen gingen uitgesleten. Een poort waar doorheen vroeger paard en wagen en later de vrachwagens reden komt uit op een binnenplaats waarvan een van de gevels is begroeid met klimop.

De sigarenfabriek was destijds letterlijk en figuurlijk de hoeksteen van de Bossche wijk 't Zand waarvan de bouw rond de eeuwwisseling begon en waarmee de Brabantse hoofdstad de eerste voet zette buiten de vestingwallen. Omdat Den Bosch in die tijd de grootste sigarenstad van het land was (nu is er niet één sigarenfabriek meer), besloten Goulmy en Baar hun bedrijf uit Amsterdam over te plaatsen. “Eugène Goulmy”, zo schreef in 1981 de bouwhistoricus A. van Drunen in het Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, “had een voor zijn tijd kenmerkend sociaal-paternalistische instelling, die als het ware in de architectuur van de fabriek tot uiting komt.”

Werkgevers bouwden vroeger wel meer in deze paleisachtige trant. Ook in de Belgisch Limburgse mijnstreek zijn voorbeelden hiervan te vinden. Van binnen was de fabriek van Goulmy en Baar voor die dagen een modelbedrijf met een modern verwarmings- en ventilatieysteem en stofafzuiging. Ook aan de lichttoetreding was veel zorg besteed onder meer door de bouw van sheddaken. De fabriek had een eigen fanfarekorps. De kelders onder fabriek werden tijdens de Tweede Wereldoorlog als schuilkelders voor de Bossche burgerij gebruikt.

Het gebouw staat op de gemeentelijke monumentenlijst. De bedoeling is om het ook tot rijksmonument verklaard te krijgen. “De sinds de bouw practisch onveranderd gebleven fabriek is van bijzonder belang voor de industriële archeologie. Het geeft een goed beeld van de werkomstandigheden bij de fabriek van sigaren die in de tweede helft van de negentiende eeuw in 's-Hertogenbosch uitgroeide van een huisnijverheid tot een van de belangrijkste takken van industrie”, aldus Van Drunen. “De staal- en betonconstructies zijn goede specimina van het techniek van het bouwen omstreeks 1900.” In 1908 werden er twee nieuwe vleugels aangebouwd.