'Minder concurrentie door hogere accijns'

DEN HAAG, 28 AUG. Met de 15 cent hogere benzine-accijns ontneemt de overheid oliemaatschappijen encont pompstationhouders elke prikkel tot prijsconcurrentie. Als de benzineprijs straks ruim boven de twee gulden ligt, zullen consumenten nauwelijks geneigd zijn nog te letten op een prijsverschil van enkele centen per liter.

Dit zegt dr.ir. C.A.P. Bakker, voorzitter van de Olie Contact Commissie, het orgaan waarin de acht grote oliemaatschappijen in Nederland overleg voeren over onderwerpen betreffende raffinage en verkoop van olie en olieprodukten.

De accijnsverhoging en de daarmee gepaard gaande concurrentievermindering leidt bovendien tot verruiming van de distributiemarges van de oliemaatschappijen en andere tankstationhouders, marges die in Nederland toch al vaak hoger zijn dan in de omringende landen.

Bakker legt uit dat driekwart van de twee gulden die de burger nu neertelt voor een liter benzine naar de overheid gaat in de vorm van btw, accijnzen en heffingen. Door de accijnsverhoging van 15 cent waartoe het kabinet gisteren heeft besloten, neemt het overheidsaandeel in de samenstelling van de benzineprijs verder toe.

“Automobilisten zullen onder deze omstandigheden steeds minder geneigd zijn door te rijden naar een ander tankstation waar de benzine een paar cent goedkoper is. Want wat maakt die paar cent nou uit op die ruim twee gulden?”, aldus Bakker. “Hoe hoger het vaste overheidsbestanddeel in de benzineprijs, hoe geringer de drijfveer om te tanken bij een goedkoper station.” En omdat de consument steeds minder op de prijs gaat letten, zullen tankstationhouders die geneigd zijn de benzineprijs te verlagen om marktaandeel te winnen, hun prijzen slechts verhogen, is de redenering van Bakker.

Voor de consument mag een of twee cent meer of minder dan niet veel uitmaken op een benzineprijs van ruim 2 gulden, voor de oliemaatschappijen kan dat verschil van levensbelang zijn. Bakker legt uit: de oliemaatschappij koopt benzine in voor 25 à 30 cent per liter. “Voor dat bedrag is alles betaald: de sjeik, het vervoer van de benzine, de raffinage etc. Twee cent prijsverschil is onder deze omstandigheden voor de oliemaatschappij iets enorms. Oliemaatschappijen en andere tankstationhouders zullen proberen die twee cent méér te krijgen als de consument daar toch niet zo om geeft”, aldus de overtuiging van de voorzitter van de Olie Contact Commissie. “In de oliehandel ontstaan zo steeds minder incentives om met prijsverlagingen te vechten om marktaandeel; men volgt de marktleider.”

In Nederland wordt jaarlijks zo'n 10 miljard liter motorbrandstof verkocht. Elke cent die de pomphouders extra in rekening kunnen brengen doordat de klant met dit soort hoge prijzen toch niet op de kleintjes let, betekent voor de Nederlandse benzine- en dieselverkoop een winst op jaarbasis van 100 miljoen gulden.

De Consumentenbond bevestigde vanochtend het beeld dat de prijsverhogingen tot minder concurrentie leiden tussen de oliemaatschappijen en dus tot hogere marges. “Dat hebben wij ook in de markt gehoord”, aldus een woordvoerster van de Consumentenbond. “Er is steeds minder prijsconcurrentie. De oliemaatschappijen beconcurreren elkaar met zegeltjesacties en spaarsystemen wat de benzineprijs verder opdrijft. Daar zijn we het niet mee eens.”

Bakker bestrijdt overigens de veronderstelling dat de netto winstmarges op de verkoop van benzine in Nederland hoger liggen dan in de ons omringende landen. De bruto marge, het verschil tussen de inkoopprijs en de kale verkoopprijs aan de pomp (de uiteindelijke verkoopprijs exclusief btw, heffingen en accijnzen) is in Nederland inderdaad groter dan in het buitenland - twee maal zo groot als in Frankrijk, zelfs drie maal zo groot als in Engeland. Maar volgens Bakker is dat niet per se het gevolg van het feit dat de brandstofverkoper hier zulke vette winsten opstrijkt. De sector kampt gewoonweg met kosten die andere landen niet hebben.

Als voorbeeld noemt Bakker de milieukosten. De sector moet dezer jaren voor totaal 2 miljard gulden investeren in het saneren van vervuilde gronden onder benzinestations en voor andere milieumaatregelen. “Als de oliemaatschappijen die twee miljard in een enkel jaar zouden willen terugverdienen, zou de marge 20 cent per liter omhoog moeten. Als ze het in vijf jaar op de automobilist zouden willen afwentelen, zouden ze de komende 5 jaar 4 cent extra voor hun benzine moeten vragen. En zouden ze er 10 jaar voor uittrekken, dan zou de marge jaarlijks 2 cent hoger zijn.”

Bakker gelooft niet dat de oliemaatschappijen een benzinekartel vormen en de benzineprijzen en daarmee hun netto winstmarges kunstmatig hoog houden. “Als voorzitter van de Olie Contact Commissie ben ik door de minister min of meer als 'waakhond' aangesteld om er op toe te zien dat in het enige reguliere overleg dat er in Nederrland bestaat tussen de oliemaatschappijen, geen afspraken worden gemaakt over prijzen. Mij is tot nog toe niets gebleken van enige prijsafspraken.”

De Olie Contact Commisie is destijds op verzoek van het ministerie van Economische Zaken in het leven geroepen tegen de achtergrond van de oliecrisis en de toen nog geldende wettelijke maximale prijzen voor olieprodukten.

Binnen de Olie Contact Comnmissie is de jongste accijnsverhoging van het kabinet overigens niet aan de orde geweest. Toen destijds het Kwartje van Kok werd geintroduceerd (25 cent accijns op benzine) heeft de contactgroep zich op verzoek van het ministerie van Economische Zaken wèl gebogen over de nadelige gevolgen van de prijsverhoging op de verkoop van de benzine in de grensstreek met Duitsland en België.