Mijn pen vloog over het papier!

Afgelopen zaterdag was het centrum van de stad Leeuwarden getuige van een groots literair experiment. Aan de hand van een stuk of twintig proefpersonen - een weloverwogen melange van dichteressen en dichters, romanciers en beoefenaars van het proza op de korte baan; in een van de twee officiële talen des lands - werd eens en voor al uitgezocht of het mogelijk was, voor een schrijver, om zijn werk in het openbaar en zelfs in de buitenlucht te verrichten.

Als om het experiment nog scherper af te bakenen en het resultaat nog duidelijker te laten spreken, was het de schrijvers verboden om werk mee te nemen waaraan ze toch al bezig waren. Nee: zij moesten zich openstellen voor hun directe werkomgeving. Zij moesten zich laten vervullen, zeg maar, door steen, straat en standbeeld; door plataan, plein en perron; door goot, gracht en grootwinkelbedrijf. Zij moesten zich helemaal openstellen en ondanks, of liever met, al die slordig in de schoot geworpen geschenken van alledag aan het werk tijgen - om zo, in het allermooiste geval, de gezamenlijke makers te worden van één enkel grandioos Fries-Nederlands taalkunstwerk dat 's avonds in de nog altijd zeer nieuwe Harmonie tot klinken zou worden gebracht.

Vervolgens zouden zij ter ruste worden gelegd in een schitterend hotel, het nagelnieuwe Stadhouderlijke Hof, voorheen paleis der Friese Nassaus, om de volgende dag in gerieflijke treincoupés weer huiswaarts te reizen.

Overbodig te zeggen dat de schrijvers voor dit alles onbekrompen gehonoreerd werden en doorlopend door goede zorgen omringd. Elk tweetal schrijvers had een assistent toegewezen gekregen, die voortdurend onderweg was met de diverse bestellingen, de broodjes paling, het vergeten flesje type-out, enzovoort enzovoort; hulde ook de assistenten. En tot slot was het schitterend weer. Nooit waren de omstandigheden voor het welslagen van een literair experiment zo ideaal. De aanwezige schrijvers hadden allen zonder aarzelen ja gezegd.

Zelf had ik een - overigens niet gevraagde - voorkeur te kennen gegeven voor het door mij om zijn schoonheid bewonderde Leeuwardense station - en daar zat ik dan, niet weinig pontificaal, uit te zien op de plek waar de perrons 1 tot en met 5A hun uitmondingen hebben. Ik zag het komen en het gaan der reizigers, en op mijn beurt werd ik door hen gezien. Ik was de genius loci van het station. Ik bewaarde de reizigers, voorzover mogelijk, binnen de grenzen van mijn lokale goddelijke competentie. Tenminste, dat was ik zo'n beetje van plan geweest.

Zo had ik mij dat voorgesteld. Ik had het allerliefst een gedicht geschreven, bij voorkeur een streng en klassiek sonnet. Om daarin de idee van het station te omcirkelen, de schoonheid van het tot stilstand komen, de schoonheid ook van de trage en voorzichtige start, en de schoonheid van zowel de haast als het wachten. Ook was ik er meteen al een beetje op uit om als er niks van kwam, dat gedicht, een fysiologie van de reiziger te schrijven, wellicht in de vorm van een geniale opsomming. Enfin, ik had plannen genoeg. Te veel plannen!

De schrijvers was ruim van tevoren gevraagd, van welke kantoorbenodigheden zij zich dachten te bedienen, en daar had je het eigenlijk meteen al. Want ik kon toch moeilijk gaan vragen om een verhuiswagen, om daarin mijn eigen achterlijke computer te laden, het inmiddels alweer prehistorische monster, de brontosaurus, de Olivetti M240. Tezamen met mijn geliefde blauwe tafel en dito stoel. Plus de grote Van Dale. En misschien het oude Groene Boekje. Alsmede een drietal synoniemenwoordenboeken. En het Woordenboek der Nederlandsche Taal, bijna twee strekkende meter, moest dat ook mee? Ik gebruikte het weliswaar niet elke dag, maar het hoorde er toch gewoon te staan, achter mijn rug op de vensterbank? En de Winkler Prins, ja, die ook. En de Trommius, met de Statenvertaling, en die van het Nederlands Bijbel Genootschap.

En dan gaat het hier alleen nog maar om de meer strikte gebruiksvoorwerpen. Maar het zakmesje van mijn vader, bij voorbeeld, om zo af en toe een appeltje mee te schillen, moest dat niet mee dan? En een paar presse-papiers? En het espressopotje, een eenpersoonsje? Mijn Ierse trui? Het was duidelijk: dat ging ik allemaal niet meenemen. Nee, ik ging daar op dat station niet met een computer zitten. Te opzichtig, te openbaar. Welnee, ik ging het gewoon met een vulpen doen, en met een schrijfbloc. Maar voor de schilderachtigheid had ik verzocht om een schrijfmachine. Een mechanische schrijfmachine, per se geen elektrische. Die kon daar dan mooi staan en wie weet het totstandgekomen gedicht uittikken.

Goed, daar zat ik dan. En ik zat schitterend, dat kan ik wel zeggen. Achter een fraaie houten tafel zat ik, in een fraaie houten stoel met rechte rug en dito leuningen. En het ensemble van mijn beide meubels rees op vanaf een Perzisch tapijt. Het tapijt, dat enerzijds mijn hele hebben en houden verbond, isoleerde het anderzijds van de bebouwde omgeving die een station is, en werkte enigszins als de streep of strip die je in musea wel ziet. In de rug, niet onbelangrijk, was ik gedekt door een monument voor een stuk of zes spoorwegmannen, omgekomen in de oorlog.

Als gezegd: daar zat ik dan. Na aanvankelijke aarzeling draaide ik een vel papier in mijn machine en prees me gelukkig met het windje dat over de perrons blies; een windje, dat de rest van de dag met het papier zou blijven spelen. Mijn vel wapperde; dat was tenminste iets. En nu had ik dan alle tijd om op het ritme van de binnenkomende intercitytreinen mijn gedicht te schrijven. Misschien is dat ene korte moment - van het lege, wapperende, gretige vel - wel meteen het mooiste geweest.

Want weldra was het een gestadig komen en gaan, daar aan mijn tafel. Ontmoetingen zonder tal werden mijn deel. Ik drukte handen...Ik zette handtekeningen... Ik wisselde gedachten... Ik beantwoordde vragen... Ik maakte kennis... Ik nam letterkundig werk in ontvangst... Ik werd gefotografeerd, zelfs door particulieren... Ik liet ten behoeve van een radiojournaal de toetsen eenmalig hameren... Zij hamerden slechts deze weinige woorden: 'Leeuwarden, 24 augustus 1996'.

Het was een wonderbaarlijke dag, waar ik met volle teugen van genoot. Tussen alle aanspraak door deed ik alsof ik schreef. Mijn pen vloog over het papier! Maar niets natuurlijk: halve gedachten, aanstalten, small talk. Treinen kwamen en gingen. Reizigers al evenzeer. Ik bleef.

Op een gegeven moment had ik het heel ver gebracht. Ik moet een staat hebben bereikt van de meest volstrekte zuivere ledigheid. Want ik keek op en om mij heen zag ik, in een eigenaardige en grote rust, zeker een tiental beschouwers staan, sommigen alleen, anderen in tweegesprek, maar allen in een duidelijke relatie tot mijn werkeiland, tot het meubilair waarvan ik zelf deel was geworden, waarin ik wellicht zelfs al was opgegaan. Zij bespraken mij heel rustig. En toen ik over mijn rechterschouder keek zag ik ook daar op ongeveer drie meter afstand een man die mij vanuit zijn heel speciale hoek met half toegeknepen ogen probeerde te vatten. Op dit ogenblik van totale vervreemding of vergetelheid meende ik plotseling te begrijpen hoe het zou zijn voor een beeld: om heel even wakker te worden uit zijn museale verstening, al was het maar voor een gespleten seconde, midden in de beklemmende eeuwigheid.