Internationale van de moraal

Als Clinton wordt herkozen zal hij dat in niet geringe mate te danken hebben aan zijn bestrijding van het sigarettenroken. Kandidaat Dole ziet het gevaar en riposteert door te verwijzen naar Clintons slappe houding op het gebied van de drugsbestrijding: “Hij zegt geen nee, hij zegt niets.” Drugs, zegt Dole, zijn “het morele equivalent van terrorisme”.

Tussen de regels door verwijst hij naar de 'tegencultuur' van de tolerantie waarmee de regering in Washington, volgens Newt Gingrich is verpest. Iedereen moet 'nee' tegen de drugs zeggen, zoals Nancy Reagan destijds heeft aanbevolen. Intussen beschermt Clinton de jeugd tegen de verslaving aan nicotine en voortijdige ziekte en dood. Dole kan zich zo'n radicale houding minder veroorloven met het oog op de stemmen van de staten waar tabaksplantages zijn. Tot nu toe heeft de campagne tegen het roken meer succes dan die tegen de drugs. Op zichzelf een wonder: dat het roken een onsmakelijke gewoonte gaat worden in het land waar ooit degene die een sigaret tussen de lippen had - liet bungelen - daarmee bewees dat hij het leven en de wereld onder controle had. Humphrey Bogart is het archteype; Ronald Reagan heeft in zijn acteursjaren nog reclame voor Chesterfield gemaakt.

De bestrijding van de sigaret is geen politieke zaak, maar een nationaal culturele waarvan Clinton zich bijtijds tot politiek kampioen heeft opgeworpen, daarbij geholpen door Dole's handicap: diens aanhang in de zuidelijke staten. De sigaret is voor het eerst tot nationale politiek geworden. Bij zijn herverkiezing zal de leider van het machtigste land ter wereld zijn macht onder meer danken aan zijn oorlog tegen de sigaret. Geen rood gevaar, geen Star Wars, geen spionnen en verraders maar de verslavende nicotine. Dat is niet alleen goed voor de gezondheid van de Amerikaanse jeugd; het zegt ook iets over de toestand van de wereldpolitiek.

Het tijdvak waarin de 'wereldleiders' bij elkaar kwamen, de pers te hoop liep, de mensheid van spanning nog een sigaret opstak - bij de geboorte van de Geest van Genève, de krachtmeting tussen Chroesjtsjov en Kennedy in Wenen, de top van Reagan en Gorbatsjov in Reykjavik, (een wat verwaarloosde maar curieuze ontmoeting in de nadagen van de Koude Oorlog) - ja, dat is allemaal voorbij, voorgoed of voorlopig. Het blijkt ook uit de aandacht voor oorlogen als die in Bosnië en Tsjetsjenië. Nadat 'we het ergste hebben gehad', dat wil zeggen nadat ongeveer de helft van het land is verwoest, kost het grote moeite de publieke opinie nog voor de opbouw van een geregelde staat in Bosnië te interesseren. Een conflict als in Tsjetsjenië had een jaar of vijf geleden nog de hele 'internationale gemeenschap' in rep en roer gebracht. Nu wordt het feitelijk beschouwd als een binnenlandse aangelegenheid van Rusland.

Intussen wordt in Stockholm een internationale conferentie over de bestrijding van kinderprostitutie en porno gehouden. Dit is de gebeurtenis die de aandacht van de wereld trekt, althans van het westelijk deel. Het gaat niet eenvoudig over kinderporno. De vraag die daar aan de orde wordt gesteld, is hoe een wijdvertakte internationale industrie waarin miljarden omgaan, moet worden bestreden. En dit niet alleen, maar misschien belangrijker nog: hoe zo'n massale klandizie heeft kunnen ontstaan, en wie daarin het web van medeplichtigheid vormen. Niet individuele misdadigers zoals in België nu worden ontmaskerd zijn de kern van het probleem. Het gaat om de illegale multinationals, de reisbureaus, hun klantenwerving, de vraag waarom ze daarbij deze resultaten hebben, en hoe het komt dat dit alles zo laat in deze omvang is ontdekt; waarom de tegenmaatregelen zo gebrekkig zijn.

Met de traditionele machtsverhoudingen tussen de staten heeft dit niets meer te maken. In de internationale politiek interesseren de staten zich nu minder voor de omvang van elkaars legers dan voor elkaars opvattingen op het gebied van recht en moraal. Dat is geen wonder. Het is een logisch gevolg van de toenemende internationalisering, gepaard aan opvattingen van bepaalde ondernemers binnen de vrije markt die zich niet aan recht en moraal storen. Het probleem heeft gradaties van ernst. We kunnen niet alles over één kam scheren; er gaapt een kloof tussen pure misdaad en 'slechte gewoonte'. Maar in de drugshandel, de bestrijding van drugsgebruik, de kinderprostitutie, pornografie op het Internet, geweld op de televisie, en nu in de Amerikaanse verkiezingsstrijd de bescherming van de jeugd tegen nicotineverslaving, is de kern telkens: de tegenstelling tussen de moraal en het exces van de vrije markt. Doordat internationalisering niet te stuiten valt (als een partij van betekenis dat al zou willen) is het onvermijdelijk dat de onderlinge staten zich intensiever gaan bemoeien met elkaars moraal, rechtsopvatting, en bijgevolg ook de bestrijding van de excessen op de vrije markt. Het uiterste gevolg daarvan is dan weer een politiek die veel weg heeft van een geïnternationaliseerde cultuurkritiek. In deze zin hebben Frankrijk en Nederland zich trouwens al over elkaar uitgelaten. Dat zou dan een veelbetekenend begin kunnen zijn. De buitenlandse politiek van de moraal wordt inmenging in elkaars binnenlandse wetgeving.

Iets heel anders. In het debat over het denkbeeld van Thijs Wöltgens - Nederland als Bundesland van Duitsland - heb ik de historische woorden van een Duitser uit de jaren dertig nog niet gelezen: Holland annektiert sichselbst. Deze uitspraak was destijds zeer bekend; maar wie was de Duitser?