Een festival van groen in het voorjaar

Onze correspondenten berichten met nieuwsgierige verwondering en per definitie met enige afstandelijkheid over hun land of gebied. Deze zomer leggen ze hun journalistieke distantie even af en onthullen ze hun favoriete toevluchtsoord.

Een Amerikaanse universiteit, uit Arizona, is eens op zoek gegaan naar het paradijs. Honderden gebieden overal ter wereld werden vergeleken. Dat gebeurde op zijn Amerikaans, aan de hand van tabellen vol cijfers over klimaat, eten, vervuiling, inwoneraantal, voorzieningen en nog veel meer. De uitkomst: het paradijs ligt zo'n 130 kilometer ten noorden van Rome en het heet Todi.

Todi is een stadje boven op een berg in het zuiden van Umbrië, omgeven door golvende heuvels. Als de zon goed staat, schitteren de kerken en paleizen je van kilometers ver tegemoet. Todi zelf is een vriendelijk plaatsje, met net voldoende geschiedenis om het interessant te maken en net te weinig voor massatoerisme. Maar zijn faam is vooral gebaseerd op het landschap eromheen.

De akkers op de heuvels om Todi vormen een bont patroon waarop je nooit raakt uitgekeken - de gebrekkige ruilverkaveling is een last voor de landbouw, maar een lust voor het oog. Zwarte en kale vlakken in de winter, met af en toe een laagje sneeuw. Een festival van groen in het voorjaar. Blokken goudgeel graan en groene mais, helgele zonnebloemen en groene wijnranken in de zomer. En laat in de herfst zie je meestal niets, want dan hangt er een dichte mist in de valleien.

Wij kregen de sleutels van dit paradijs van een vriendin die haar dochter naar het buitenland wilde volgen. Ze heeft een omgebouwde boerderij een paar kilometer buiten Todi, aan het einde van een onverhard pad vol stenen en stof. Het is een van de duizenden oude hoeves en stallen die zijn veranderd in een tweede of derde woning. Meestal staan ze op prachtige locaties die beschermd zijn door een bouwverbod. Alleen het bestaande mag worden verbeterd. Daarom wordt ook de meest bouwvallige stal niet afgebroken. Zelfs een halve muur is een potentiële villa.

Het leven bij Todi laat zien hoe landelijk Italië nog is. Een halve eeuw geleden werkte meer dan de helft van de bevolking in de landbouw. Nu is dat rond de vijf procent, maar de meeste families hebben nog wel wortels ergens op het platteland. Hun verleden is nog niet afgesloten.

Onze directe buren, Settimo en Marella, krijgen bijna ieder weekeinde bezoek van familie. Die komen niet alleen voor het landschap, maar ook voor de smakelijke eigengemaakte worst en ham, het vers geslachte konijn of de eerder op de dag geschoten vogeltjes, de net geplukte tuinbonen, courgettes of aubergines. Italianen zijn ook zo deskundig-kritisch over hun eten omdat je nog op veel plaatsen 'eerlijk' eten kan vinden van onovertroffen simpelheid en kwaliteit - het referentiepunt ligt hoog en wordt vaak geijkt.

Onze andere buur, Massimo de schaapherder, die iedere ochtend en avond voorbij komt met zijn vredig klingelende kudde, heeft eveneens veel aanloop. In een rommelige schuur achter zijn huis maakt hij zelf kaas. De witgele schijven verspreiden een zware geur waarin je bijna kan happen. Zijn kaas is onovertroffen. Soms heeft hij verse ricotta, zachte witte kaas. “Heel goed voor kinderen”, zegt hij als hij 's ochtends een schaaltje komt brengen.

Settimo - letterlijk: het zevende kind - is de typische Italiaan met twee beroepen. Hij is metselaar en boer. Met zijn vrouw Marella maakt hij zijn eigen worst, van de paar varkens achter hun huis. En dat maakt varkens onverbiddelijk belangrijker dan honden.

Toen we op een weekeinde langskwamen om de jonge hondjes te bekijken die geboren zouden moeten zijn, mompelde Marella wat onduidelijks. Onze kinderen hadden de teef al ontdekt, maar aan haar tepels lagen naast drie jonge hondjes ook vijf biggetjes te drinken. Beide dieren hadden vrijwel gelijktijdig gejongd, maar de zeug had onvoldoende melk voor al haar kroost. Vijf hondjes moesten plaatsmaken voor varkens. Buiten, op een vuilnishoop achter het huis, lagen hun gewurgde lijkjes.

Settimo's moment van glorie kwam toen wij twee wespennesten hadden in de primitief gemetselde muur achter het huis. Hij zou wel eens laten zien hoe een echte kerel dat oplost. Settimo graaide met zijn blote handen naar de korf en verpulverde het tere bouwsel in zijn grote knuist. De wespen die er nog in zaten, werden mee fijngeknepen.

Op de vraag of hij niet vreselijk was gestoken, haalde Settimo zijn schouders op. Non è niente, het is niets. Maar één demonstratie voor de stadsjonkers uit Rome vond hij wel genoeg. De aanval op het tweede nest gebeurde op een traditioneler manier: met een brandende krant.

Na afloop wilden we hem bedanken met een glas wijn. Maar Settimo zei beleefd nee: hij dronk liever zijn eigen wijn. Je weet maar nooit wat er in die flessen zit. De mythe van het 'zuivere' produkt is heel sterk, ook al omdat de controle op toegevoegde kleur- en smaakstoffen vaak te wensen overlaat.

Settimo troonde mij mee naar de cantina onder zijn huis. Voor vrouwen is dit verboden terrein. Eeuwenoude overlevering wil dat wijn bederft door een menstruerende vrouw. De cantina was een donkere, muffe kelder waar een zure lucht hing. Op een stellage stonden de plastic vaten waarin Settimo wijn maakt, zoals miljoenen anderen met een eigen wijngaardje. Det is meestal wijn zonder poespas, waarbij het meeste genoegen moet komen uit de wetenschap dat hij van eigen grond komt.

Ook Settimo's rode en witte dranken moesten het daarvan hebben. Hij zette de kroon op zijn gastvrijheid met een limonadeglas eigengemaakte grappa. Zelf dronk hij niet mee - te sterk, slecht voor de maag. En voor het hoofd, zo bleek de volgende dag.