De universiteiten zijn rijker dan ze zeggen

De universiteiten klagen al jaren steen en been over de bezuinigingen die achtereenvolgende kabinetten hen opleggen.

J.M. Hermans vindt dat ze daar eens mee moeten ophouden. Financieel gaat het juist uitstekend met de universiteiten. Als er ontslagen moeten vallen is dat hun eigen schuld.

Dankzij een uitstekend gevoel voor timing en public relations is de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten (VSNU) er weer in geslaagd ons duidelijk te maken dat de universiteiten door de bezuinigingen van het Ministerie van Onderwijs ten onder gaan. Niet duidelijk is om welke bezuinigingen het gaat. Dat kan ook niet. De reden hiervoor is dat het budget van de universiteiten in werkelijkheid sinds jaren groeit.

Hoe kan dan het beeld ontstaan dat universiteiten drastisch moeten bezuinigen en wat zijn de werkelijke oorzaken van de 'financiële problemen' van de universiteiten? Deze twee vragen zal ik in het onderstaande trachten te beantwoorden.

Bij het aantreden van het paarse kabinet had minister van Financiën Zalm een bezuiniging in petto voor het hoger onderwijs (universiteiten en hogescholen). Zalms redenering was de volgende: in de komende jaren daalt het aantal studenten, als gevolg van minder geboorten, met ongeveer 20 tot 25 procent. Bij gelijkblijvende kosten per student kan het totale hoger onderwijsbudget met eenzelfde percentage dalen. Dit zou een bezuiniging betekenen van ongeveer 1,5 miljard gulden. In het basis- en voortgezet onderwijs worden scholen per kind afgerekend. Waarom in het hoger onderwijs dan niet?

Begrijpelijkerwijs waren de VSNU, de HBO-Raad en minister van Onderwijs Ritzen niet erg ingenomen met dit demografische dictaat. Ritzen bereikte een compromis met Zalm: de bezuiniging behoefde niet te worden opgebracht door het hoger onderwijs aleen, maar moest worden gevonden op de gehele begroting van Onderwijs en Wetenschappen. Door het kabinet waren reeds middelen geraamd om de werkloosheidsuitkeringen te bekostigen die de voorgenomen bezuinigingen met zich mee zouden brengen. Nu de bezuinigingen niet doorgingen, werden deze gelden toegevoegd aan het budget van het hoger onderwijs. Dit bedrag (500 miljoen) zou de 'studeerbaarheid' in het hoger onderwijs ten goede moeten komen.

Dus in plaats van een bezuiniging van 1,5 miljard in het hoger onderwijs stegen de budgetten van het hoger onderwijs met 500 miljoen. Terwijl de begroting van Onderwijs en Wetenschappen op andere onderdelen moest dalen met 1,5 miljard, kon het hoger onderwijs tot 2004 buiten schot blijven. De studiefinanciering betaalde uiteindelijk een groot deel van de rekening.

Door dit compromis werd het voor Ritzen aanzienlijk gemakkelijker om met de VSNU en de HBO-Raad tot een akkoord te komen. Dat bestond uit drie delen. Ten eerste: een bezuiniging van 500 miljoen op het hoger onderwijs, waarvan 200 miljoen op het wetenschappelijk onderwijs vanaf het jaar 2004. (Dit lijkt veel, maar op het budget van de universiteiten is het minder dan 4 procent) Ten tweede: een bezuiniging op de studiefinanciering van 1 miljard (dit was in feite de geboorte van de 'prestatiebeurs'). Ten derde: een verhoging van het collegegeld met 500 gulden per student. Hetgeen de universiteiten en hogescholen een aanzienlijk voordeel oplevert.

Na protest van de Tweede Kamer en de studentenvakbonden werd besloten het douceurtje van 500 miljoen 'studeerbaarheid' en de verhoging van collegegeld pas te laten ingaan als de universiteiten de kwaliteit van studies ook daadwerkelijk verbeterden. De plannen van de universiteiten daaromtrent zijn inmiddels “gewogen en te licht bevonden” door de commissie-Wijnen. Minister Ritzen heeft desondanks besloten de universiteiten te belonen. De Tweede Kamer staat buitenspel. De conclusie is dat, ondanks hetgeen de VSNU ons wil doen geloven, het ministerie helemaal niet bezuinigt op de universiteiten. Het tegendeel is zelfs het geval: het budget van het hoger onderwijs stijgt de komende jaren met 500 miljoen extra.

Blijft over de vraag, in hoeverre de financiële positie van de universiteiten als gevolg van andere oorzaken of bezuinigingen in het verre verleden slecht is. Kijken we naar de liquiditeiten van de gezamenlijke universiteiten (dus: hoeveel staat er op het spaarboekje) dan blijkt dit, volgens jaarverslagen van de universiteiten, ongeveer 1,4 miljard te zijn. De universiteiten hebben dus zo'n 30 procent van hun jaaromzet op de bank staan, besteden dat niet aan onderwijs of onderzoek, maar beleggen het.

Uiteraard zijn er verschillen per universiteit, maar geen enkele universiteit staat rood. De Universiteit van Amsterdam bijvoorbeeld heeft in 1995 een 'winst' gemaakt van zo'n 20 miljoen. De tegoeden bedragen in 1995 meer dan 100 miljoen. Voorts is in 1995 voor 26 miljoen effecten gekocht. De universiteit meldt in haar jaarverslag dat ze nog niet in staat is álle gelieerde instellingen in kaart te brengen. De voorlopige schatting komt uit op zo'n 40 à 50 stichtingen en ongeveer 10 BV's (bron: jaarverslag 1995, UvA). Als een bedrijf een dergelijk grote 'reserve' zou aanhouden, zouden de aandeelhouders of de fiscus in opstand komen.

Hoe is het dan mogelijk dat de VSNU met droge ogen kan verkondigen dat er als gevolg van bezuinigingen banen verdwijnen bij de universiteiten? Daar is een tweetal redenen voor te geven. Ten eerste beschikken de universiteiten, in de VSNU, over een uitstekende lobby-machine. Ten tweede: het ministerie van Onderwijs onderhoudt zeer sterke banden met het onderwijsveld.

En, vervolgens, hoe is het mogelijk dat er ondanks de riante financiële positie bij de universiteiten toch ontslagen vallen?

De voornaamste oorzaak is waarschijnlijk de gecompliceerde bestuursstructuur, die een 'potjescultuur' in de hand werkt. Aan de top staat het college van bestuur, dat geacht wordt de universiteit als geheel te leiden. De universitaire professionals (de wetenschappelijke staf) in de faculteiten besturen in grote lijnen zichzelf. Daarmee bedoel ik dat elke vakgroep een eigen vakgroepbestuur heeft, dat over zijn eigen vakgroepbudget beslist; elke faculteit heeft een faculteitsbestuur, dat over zijn faculteitsbudget beslist. De universiteitsraad ten slotte 'gaat niet' over de budgetten van faculteiten en vakgroepen, maar beperkt zich veelal tot het 'instellingsbeleid' of de stijging van de kosten van de 'overhead'. (Inmiddels is de verhouding aan de universiteiten tussen wetenschappelijk personeel en niet-wetenschappelijk, ondersteunend en beheerspersoneel nagenoeg één op één)

In een dergelijke bestuursstructuur en cultuur spreekt het vanzelf dat het geld in de 'potjes' zit van de vakgroepen en faculteiten. Dit leidt ertoe dat de rechtsfilosoof wordt ontslagen, terwijl zijn kamergenoot van de vakgroep bestuurskunde een toelage ontvangt wegens zijn verdiensten ten behoeve van de derde geldstroom (geld dat de universiteit onder meer bij bedrijven weet binnen te halen voor onderzoek). De werkloosheidsuitkering van de filosoof komt uiteraard ten laste van de algemene middelen. In deze bestuurscultuur is het ondenkbaar dat de filosoof, zelfs maar tijdelijk, ten late van het budget van bestuurskunde zou worden gebracht.

De universitaire bestuurders die niet in staat zijn de 'potjescultuur' te doorbreken, deponeren de problemen die bij een enkele faculteit of vakgroep ontstaan, zoveel mogelijk en bijna altijd via de media bij het ministerie van Onderwijs. Onderwijs, dat het 'sturen op afstand' hoog in het vaandel heeft, adopteert de deelproblemen alsof het de hoofdzaken zijn. Waarna het financiële (deel)probleem door het ministerie wordt opgelost. De vergelijking die hier opgaat is die met, bijvoorbeeld, een Hema-filiaal. Als de afdeling sokken geen winst genereert, zal de raad van bestuur toch geen berichten de wereld in helpen met de strekking: de Hema gaat failliet! Universitaire bestuurders doen dat wèl.

Veel universitaire bestuurders zijn afkomstig uit de politiek of uit de wetenschap. De eerste groep, de voormalige politieke bestuurders, storten zich meestal op het leiding geven en reorganiseren van de ambtelijke universitaire bureaucratie. Andere geliefde onderwerpen zijn 'het universitaire beleid', het voeren van de 'strategische dialoog' met de VSNU en het ministerie of 'de internationalisering' van de universiteit. De tweede categorie, afkomstig uit de wetenschap, is meestal inhoudelijk gericht op de primaire taken van de universiteit: onderwijs en onderzoek. Gevolg is dat overzicht niet altijd aanwezig is. Zo kan het gebeuren dat de Universiteit van Leiden meer dan 30 miljoen heeft verspeeld door in zee te gaan met een malafide aannemer.

De conclusie is, dat de universiteiten over veel meer dan voldoende financiële middelen beschikken. Van bezuinigingen door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen is geen sprake. De universitaire bestuurders moeten eens ophouden met zeuren. Vermeende tekorten en ontslagen (en de daarbij behorende wachtgelden) als gevolg van falend personeelsbeleid komen geheel voor rekening van de universitaire bestuurders zelf.

De colleges van bestuur kunnen zich beter beperken tot het scheppen van ideale randvoorwaarden ten behoeve van onderwijs en onderzoek en het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen kan de universitaire bestuurders beter houden aan gemaakte afspraken en zich niet steeds laten verleiden tot ingrijpen.

Het tegoed van ongeveer 1,4 miljard op de universitaire bankrekeningen betekent dat iedere Nederlander ongeveer 100 gulden tegoed heeft van de universiteiten. Besteedt dit geld aan onderwijs en onderzoek of geef het terug. Een aardige opsteker in een tijd van koopkrachtplaatjes.