'De Arabische klassieke muziek is als een traan'

Klassieke Muziek in de Islamitische Wereld. Festival Oude Muziek. RASA, Utrecht, 30/8 t/m 8/9. Info: 030-2362236

Het Festival Oude Muziek, dat vrijdag in Utrecht begint, presenteert in samenwerking met RASA een gedurfd overzicht van klassieke muziek in de islamitische wereld. De niet-Westerse muziek vormt al jaren een succesvol onderdeel van het festival. De thema's van de afgelopen jaren (de stem, verhalen vertellen, diverse instrumenten) leenden zich nog uitstekend voor een niet-Westerse invulling. Maar het thema van dit jaar, het Utrechts Psalter, is niet relevant voor muziek van buiten Europa.

Onbedoeld werpt het Arabische programma toch een aardig licht op de oude Europese muziek. Het idee dat die in intonatie, versieringen en timbre veel oosterser geklonken zou hebben dan veel hedendaagse ensembles doen geloven, wint nog steeds terrein. De vijf ensemble uit respectievelijk Iran, Azerbeidjan, Oezbekistan, Irak en Algerije hebben alleen middeleeuwse gedichten op hun repertoire staan.

Dat Arabische muziek in het Westen nog altijd moeilijk begrepen wordt, ervoer een bekende Iraanse dichter onlangs. Toen zijn klassieke muziek met veel omhaal werd afgeschilderd als een nietige waterdruppel in vergelijking tot de machtige oceaan die Westerse muziek is, antwoordde hij: “Uw muziek staat zeker voor een oceaan en in vergelijking is de onze slechts een druppel. Maar deze oceaan is niets dan water, terwijl deze druppel, zij is een traan.”

De Arabische taal en poëzie verbindt de klassieke muziek, die eeuwenlang verbonden is geweest aan de hoven van de islamitische centra. In de zevende en achtste eeuw, de tijd waarin de islam tot bloei kwam, waren dat vooral Mekka, Medina en Bagdad, daarna versmolt de Arabische muziek met tradities uit steeds verder gelegen gebieden. Aan het eind van de middeleeuwen ontstond er een opvallende homogeniteit, waardoor het aan de hand van geschriften bijna niet vast te stellen is of een musicus of theoreticus nou uit Bagdad, Buchara, of Damascus afkomstig was.

Voor musici had deze situatie voordelen: hadden zij genoeg van het leven aan het hof van een prins, dan konden ze probleemloos hun heil zoeken in een ander koninkrijk, desnoods duizenden kilometers verder. Het muzikale idioom was min of meer hetzelfde, de Arabische taal overal verstaanbaar. De vorsten konden zich zo op de hoogte stellen van de muzikale diversiteit in het Arabische cultuurgebied. Grootmeesters in de muziek konden rekenen op goud, stukken land en zelfs paleizen.

Vanaf de achttiende eeuw raakte de pan-Arabische muziek langzaam in verval. Eeuwenoude principes, vastgelegd in talloze traktaten, bleken niet langer overal van toepassing in Centraal-Azië, Turkije, Perzië en de Maghreb (het islamitisch deel van Noord-Afrika). In al deze gebieden afzonderlijk groeide vervolgens een hernieuwde interesse, waarbij de instrumenten, poëtische vormen, composities en modi zich plooiden naar de lokale behoeften. Toch is de relatieve eenheid van deze wijdverspreide klassieke tradities van ruim een millennium oud, zeker in vergelijking tot de Westerse muziek, uitzonderlijk.

Van de vijf concerten is de mugam uit Azerbeidjan wellicht het minst toegankelijk, met een vibrerende, penetrante zangstijl en virtuoze tussenspelen op de kemençe (vedel) en tar (langhals-luit). Wie voor deze lange, zinderende gedichten gaat zitten wordt langzaam meegezogen in de steeds ingenieuzere, instrumentale improvisaties en de opzwepende, explosieve zang. Vliegen de Azerbeidjani haast uit de bocht van expressiviteit, de stemacrobaat Nourredin Razavi Sarvestani uit Iran is met dezelfde rappe afwisseling van gewoon- en falsetregister de beheersing en trefzekerheid zelve.

Daartegenover staan zijn ingetogen minneliederen uit de veertiende eeuw, begeleid op ratelende percussie en luit, die een verre weerklank van onze hoofse poëzie lijken. Joodse musici hielden in vele Arabische bolwerken de muziek in stand, om de onverenigbaarheid van muziek en islam voor sommige heersers wat draaglijker te maken. Het joodse ensemble van Ilyas Malayev was vorig jaar nog wijdbeens spelend in Nederland te bewonderen, en brengt een deel uit de Oezbeekse Shashmaqam, 'de zes suites'.

Oorspronkelijk golden vrouwen als de beste vertolkers van de Arabische muziek, 'een boek dat is samengesteld door vrouwen, maar geschreven door mannen.' De Iraakse zangeres Farida Ali brengt een prachtige synthese van avontuurlijke muziek met profane en mystieke liefdespoëzie, in een snelle afwisseling van onverwachtse harmonische wendingen en instrumentale intermezzi op de djozé (vedel) en santur (cither) met een licht Indiaas tintje.

Een gecombineerd koor-orkest uit Algerije geeft een Arabo-Andalusisch concert met klassieke noubas (suites), waarin liefde, wijn en de natuur bezongen worden. Het middeleeuws verblijf van de Moren in de zuidpunt van West-Europa levert nu nog een soort herkenbaarheid op. Alleen de kwarttonen verhinderen ons mee te neuriën met de eenstemmig gezongen melodieën en lome ritmes.