Bouw van Eemscentrale had veel weg van 'Dutch disaster'

De bouw van de Eemscentrale, de modernste gasgestookte elektriciteitsopwekker ter wereld, was een nachtmerrie. Ontwerpfouten zorgden voor een miljoenenschade. Terwijl een keuze voor Siemens voor de hand had gelegen, werd uiteindelijk gekozen voor nog niet volledige ontwikkelde turbines van het Brits-Franse GEC-Alsthom. Insinuaties over steekpenningen staken de kop op. Een reconstructie.

Het gaat goed met de nieuwe Eemscentrale aan de Waddenzee. Uit alle vijf eenheden die de afgelopen maanden achtereenvolgens in bedrijf gingen stijgt zacht gezoem op. Nederlands meest geavanceerde gascentrale levert stroom zoals de bedoeling was.

Pas volgend jaar wordt de centrale feestelijk in gebruik genomen. Dat alle gasten er dan even vrolijk bij lopen is niet waarschijnlijk. De genodigden van het Brits-Franse GEC-Alsthom, dat de turbines en generatoren leverde, zullen met moeite een wrang lachje op het gelaat toveren. En ook bij de opdrachtgever, elektriciteitsproducent EPON, zal het plezier zijn grenzen kennen.

De bouw van de nieuwe centrale, die 2,7 miljard gulden kostte, is weinig minder dan een nachtmerrie geweest. Niet alleen werd het complex aan de Eemshaven getroffen door een reeks technische calamiteiten die zijn weerga niet kent - vakbladen spreken van een 'Dutch disaster' - alsof het niet genoeg was publiceerde Vrij Nederland een serie artikelen waarin de EPON-directie in meer of minder uitgesproken termen werd beticht van bestuurlijk falen.

Terwijl, volgens VN, de keuze voor een Siemens-installatie zo voor de hand lag, had EPON besloten tot de aanschaf van machines van GEC Alsthom. Daarmee was een onaanvaardbaar risico genomen en wat zich daarna aan technische gruwelen afspeelde was dan ook precies wat mocht worden verwacht. EPON had de miljoenenschade die het sinds zomer 1995 had opgelopen aan zichzelf te wijten. En de bedekte beschuldigingen gingen verder. Het weekblad schaarde zich achter een ontslagen projectmanager die verklaarde dat er aanwijzingen waren dat een of meer leden van de EPON tegen elke prijs de centrale bij GEC Alsthom wilden kopen.

Omkoping! steekpenningen! begrepen de betrokkenen. Foul play, begreep het vakblad Power in Europe. Een half jaar eerder was GEC Alsthom ook al in verband gebracht met de betaling van ongeoorloofde 'commissies' aan de Nederlandse Spoorwegen. Justitieel onderzoek had toen niets opgeleverd. Deze keer waren de aantijgingen zo fel en werden ze zo serieus genomen dat EPON de noodzaak voelde zich begin juni in een persbericht te verdedigen. De projectmanager had zijn 'andere visie' pas ontwikkeld ná zijn ontslag, was de boodschap.

Zeker is dat de uitbreiding van de Eemscentrale een wonderlijke geschiedenis heeft. Kort na de Brede Maatschappelijke Discussie was de Eemshaven aangewezen als een van de drie locaties voor de vestiging van een kerncentrale. Toen dat, na 'Tsjernobyl', onbespreekbaar was geworden stond de locatie (waar in 1977 al een gascentrale was neergezet) in de elektriciteitsplannen van de SEP (de overkoepelende organisatie van stroomproducenten) genoteerd voor een kolencentrale van twee eenheden à 600 MW. Tot halverwege 1990 heeft de SEP in haar E-plan volgehouden dat de bestaande centrale een kolencentrale zou worden. Toch had EPON op dat moment al aan de bedrijven ABB, Siemens en GEC Alsthom gevraagd een ruwe, niet-officiële prijsopgave ('budget-offerte') te doen voor de bouw van een gascentrale.

Voor ingewijden stond allang vast dat de Eemscentrale met gaseenheden zou worden uitgebreid. In augustus 1988 had de SEP, tot ontzetting van de Gasunie, een aantrekkelijk contract gesloten met het Noorse Statoil voor de levering van aardgas tegen kolenpariteit (gasprijs gekoppeld aan kolenprijs). Te beginnen in 1995 zou Statoil 25 jaar lang jaarlijks 2 miljard kubieke meter aardgas aan de SEP leveren. Het eerste jaar hoefde maar één miljard te worden afgenomen.

Ir. G.J. Schrama, directeur van GEC Alsthom Nederland: “Du moment dat we wisten dat er een gascentrale zou komen, begrepen we dat dat moderne STEG-eenheden zouden worden (zie kader). Conventionele gascentrales worden eigenlijk niet meer geplaatst. Vanaf dat moment hebben we, net als onze twee concurrenten, zwaar gelobbyd om GEC Alsthom binnen beeld te krijgen.” Dit soort lobbyen heeft, zoals ook elders gewoon is, de vorm van persoonlijke ontmoetingen, want het wereldje is maar klein.

De eerste officiële gelegenheid om invloed uit te oefenen deed zich voor in 1990 toen EPON de drie turbinebouwers om een budget-offerte vroeg. Bedreigend voor GEC Alsthom was dat EPON de indruk wekte een uitbreiding van de bestaande centrale met 7 STEG-eenheden te overwegen. ABB en Siemens konden daarin voorzien met gasturbines van zo'n 150 megawatt, GEC Alsthom niet. Die kon alleen een wat ouder turbine-type leveren waarvan er zeker negen nodig zouden zijn. “Gelukkig”, zegt Schrama, “geeft een budget-offerte je de gelegenheid ook een alternatief uit te werken. Wij hebben uitgelegd dat we aan alle eisen van EPON konden voldoen met vijf gasturbines van het type dat we toen in ontwikkeling haden.”

EPON bevond zich begin 1990 in een ongebruikelijke positie. Niet het te installeren elektrisch vermogen van de nieuwe centrale was de basis voor de aanvraag-specificatie, maar de jaarlijks 'weg te werken' hoeveelheid Statoil-gas, die immers al in een contract was vastgelegd. Een recht-toe-recht-aan berekening leerde dat EPON daartoe een STEG-centrale van ongeveer 1600 MW nodig had. Rekening houdend met de bijdrage van de stoomturbines betekende dat: zeven gasturbines van zo'n 150 MW of vijf van ongeveer 210 MW. De GEC-Alsthom turbines van het type 9F kregen een vermogen van 220 MW en pasten in het schema.

GEC-Alsthom kon rekenen op spontane sympathie van EPON, want in bijna alle opzichten (bediening, onderhoud) is een centrale met vijf eenheden aantrekkelijker dan een met zeven. Niet voor niets worden in razend tempo steeds grotere gasturbines gebouwd. Het probleem was dat GEC Alsthom nog geen enkele praktische ervaring had met de 9F-gasturbine en vooral ook: dat zij de enige was die zo'n grote machine op tijd kon leveren. Siemens en ABB hadden er beide een van zo'n 240 MW in ontwikkeling, maar liepen achter op GE en GEC Alsthom. Zou EPON zich uitspreken voor 5 eenheden, dan bleef er geen concurrentie over.

Ir. L.M.J. van Halderen, directie-voorzitter van EPON: “Om zeker te zijn van zoveel mogelijk competitie is besloten zowel voor 5 als voor 7 eenheden offerte te laten doen, overigens zonder dat dit uitdrukkelijk in alle stukken is vastgelegd. Ingewijden wisten dat ook een oplossing met 5 eenheden aanvaardbaar was. En voor de SEP maakte het niet veel uit of er 5 of 7 eenheden kwamen.”

Toen in april 1991 de aanvraag-specificaties de deur uitgingen werd ABB gevraagd om een offerte voor 7 eenheden, GEC Alsthom voor 5 (want van 9 eenheden kon geen sprake zijn) en Siemens zowel 7 als 5. Siemens was al een eind op streek met de ontwikkeling van de V84-3 gasturbine voor 60 Hz (voor de VS en Japan) en hoopte kennelijk de 50 Hz pendant (de V94-3 van 240 MW) nog net op tijd te voltooien. In september kwamen de offertes binnen. Vijf werkgroepen onderzochten vervolgens de aanbiedingen op aspecten als milieu-belasting, bedrijfsvoering en onderhoudsgevoeligheid. De suggestie dat een directielid door Alsthom zou zijn omgekocht mist dus grond. EPON-woordvoerster Riek Lem: “De definitieve keuze heeft niet van één persoon maar van een heel team afgehangen.” Maar zij geeft toe dat de toenmalige technisch directeur - en trouwens ook de projectleider - een zware stem had. Intern was volstrekt duidelijk wie er werd bedoeld.

EPON ging, legt Van Halderen uit, in twee stappen door het selectieproces. In de eerste ronde viel ABB af. Het rendement van de 160 MW ABB gasturbine bleef wat achter bij de Siemens-tegenhanger. Daarna ging het - praktisch gesproken - tussen de 5-optie van GEC Alsthom en de 7-optie van Siemens. De 5-optie van Siemens is eigenlijk vanaf het begin als 'te pril' beschouwd. Op het moment dat EPON de knoop moest doorhakken (eind 1991) had de 60 Hz voorloper van de te gebruiken gasturbine nog niet eens gedraaid. Siemens heeft zich dan ook wat de vijf-optie betreft op het laatste moment teruggetrokken.

De huidige projectleider ir. J.C.M. Dumoulin: “Qua emoties lag de voorkeur hier op de Eemscentrale toch eigenlijk bij Siemens' 130 MW-gasturbine (de V94-2) want daarvan was er al een in gebruik in het bestaande deel van de Eemscentrale. Alsthom als leverancier van GE-gasturbines was in Nederland een beetje uit beeld geraakt; bijna alle GE-machines komen van Thomassen in Rheden.Maar Thomassen kon niet zulke zware turbines leveren.”

Van Halderen: “Maar uiteindelijk geeft de berekening van de kosten die je de komende 25 jaar met een installatie zult maken de doorslag. Minder grijpbare zaken als betrouwbaarheid dek je af met garanties en boetebepalingen. Ook de milieu-prestaties spelen in zekere zin een beperkte rol. Als aan de gestelde eisen wordt voldaan is daarmee de kous af. Of de een dan nòg 'schoner' is dan de ander maakt niet uit.”

De balans sloeg door in het voordeel van GEC Alsthom. EPON liet zich overtuigen door de goede prestaties van de Amerikaanse 60 Hz variant van de 9F.Daarbij speelde een rol dat Electricité de France al een 9F-gasturbine had gekocht en dat ook het Britse National Power al een order had geplaatst voor twee STEG-eenheden met de 9F. Toen EPON bestelde waren al 14 machines verkocht.

Op 20 januari 1992 werd in een persbericht bekend gemaakt dat EPON met GEC Alsthom een 'letter of intent' had getekend voor de levering van 5 STEG-eenheden. Maar pas in maart werd het definitieve contract getekend. EPON-woordvoerster Riek Lem: “Over zo'n contract wordt onderhandeld, het concept verandert voortdurend. Dat er verschillende concepten zijn, wat sommigen zo bedenkelijk vinden, is niets bijzonders.” Siemens heeft de keuze van EPON niet aangevochten en wil er geen commentaar op geven. Het bedrijf erkent dat de 60 Hz-voorloper van de 230 MW-turbine pas in december 1994 in Berlijn zijn eerste 'run' maakte. Ook van ABB zijn geen klachten gehoord.

De moeilijkheden kwamen uit een geheel andere hoek. Vlak voor het definitieve contract met GEC Alsthom werd gesloten, liet de toenmalige projectleider ir. Jan Mittendorff weten grote twijfels te hebben over de inhoud van het contract. Er zouden te weinig garanties van GEC Alsthom zijn gevraagd. Ook uitte hij zijn vermoeden dat iemand in de EPON-directie de deal met Alsthom koste wat kost wenste door te drukken. Er kwam een onderzoek door Hoffmann Bedrijfsrecherche dat niets opleverde en in april 1993 volgde het ontslag van Mittendorff. Later, in 1995, deed EPON toch aangifte van het vermoeden van een strafbaar feit bij de officier van justitie in Zwolle. Woordvoerster Lem: “Niet omdat de vermoedens sterker werden maar omdat de geruchten aanhielden.” Maar ook het justitieel onderzoek leverde niets op.

Rond die tijd openbaarden zich de technische gebreken in de gasturbines die - voor wat betreft GEC Alsthom - zouden uitgroeien tot een regelrechte ramp. Kort nadat in het voorjaar van 1995 de eenheden 3 en 4 van de nieuwe Eemscentrale in bedrijf waren gegaan bleek uit toenemende trillingen dat er iets mis was. De turbines raakten beschadigd voor ze konden worden stilgezet. Omdat zich bij de identieke gasturbines in de Britse STEG-centrale bij Little Barford (van launching customer National Power) een paar weken eerder dezelfde moeilijkheden hadden voorgedaan rees het vermoeden van een ontwerpfout. Een structureel tekort dus. Uit voorzorg werd ook Eems-eenheid vijf afgeschakeld. De drie turbines gingen terug naar de leverancier en een ging er zelfs per vliegtuig terug naar GE in de VS. Op het moment dat de afname van het Noorse aardgas had moeten beginnen zat de nieuwe Eemscentrale zonder één gasturbine (want de turbines voor de eenheden 6 en 7 waren nog niet geleverd.) Het bleek dat er een ontwerpfout zat in het minst geavanceerde deel van de gasturbine: de compressor. De 15 trekstangen waarmee de schoepenwielen van de compressor bij elkaar werden gehouden bleken te zwak voor hun taak: ze scheurden. GE en GEC Alsthom monteerden nieuwe stangen, maar de eerste waren nog niet goed: toen eenheid vier later opnieuw in bedrijf werd genomen gingen de trekstangen weer kapot.

Dumoulin: “En toch hadden we nog geluk bij een ongeluk. Net in de tijd dat onze machines weer terug bij de leverancier waren werd in een centrale in Zuid-Korea duidelijk dat er nog meer moeilijkheden met de turbines waren te verwachten. GEC Alsthom had de eerste versie van haar turbine, de 9F, uitgevoerd in een peperdure legering aangeduid met Inconel. Uit kostenoverwegingen was besloten voor de volgende types (9FA) een minder exotische metaalsoort te gebruiken. Ook onze machines waren daaruit samengesteld. Maar het bleek dat dit materiaal niet bestand was tegen de krachten die in de turbine optreden. Vaste en draaiende delen gingen op den duur aanlopen. Besloten is dat GEC Alsthom alle afnemers, dus ook EPON, uiteindelijk weer machines van Inconel zal leveren, maar dat een deel van de afnemers voorlopig genoegen moet nemen met een kleine aanpassing die het aanlopen voorkomt. Toen onze machines toch weer in de fabriek waren, konden ze op dit punt gelijk worden aangepast.”

Maar bij het geluk kwam toch ook weer extra ongeluk. In eenheid vier brak opnieuw een trekstang. Tot overmaat van ramp liet een monteur van GEC Alsthom een zware bout achter in eenheid drie die net weer terug was van de trekstangen-reparatie. Toen hij in april werd opgestart draaide hij opnieuw volkomen kapot. Inmiddels is turbine drie weer terug, het is de eerste die weer helemaal in Inconel is uitgevoerd.

De Eemscentrale is nu klaar, toch nog een maand eerder dan gepland. Morgen heeft EPON een ontmoeting met de pers. Op voorhand is bereidheid uitgesproken op àlle aspecten van de bouw in te gaan. Alleen de financiële schade die de verschillende partijen hebben gelopen zal buiten de discussie blijven. Voor wat EPON zelf betreft schat Van Halderen die op enige miljoenen. “We hebben al die tijd extra personeel in dienst moeten houden.” Voor GEC Alsthom is de schade gigantisch. Afgaande op de bedragen die worden genoemd voor de moeilijkheden in de centrales Little Barford en Keadby moet de Eemscentrale zeker een schade van meer dan honderd miljoen gulden hebben opgeleverd. “Met zijn omzet van 19 miljard kan GEC Alsthom dat wel opvangen”, meent Schrama. De SEP is in 'aanvullende afspraken' met Statoil overeengekomen het gas dat in de eerste helft van het aanloopjaar te weinig is afgenomen in de tweede helft versneld te verbruiken. Het principe 'take-or-pay' zal niet of nauwelijks hoeven te worden geëffectueerd.