Over alles is discussie mogelijk

“Niet als Holland klein zal zijn geworden, maar opdat het nimmer klein worde, wenschten wij het met Duitschland onverbrekelijk verbonden te zien. Zijn wij niet bloed van Duitschlands bloed en been van zijn gebeente?” Dit schreef in De Gids van 1847 P.J. Veth, die toen hoogleraar in de oosterse talen in Amsterdam was (later zou hij dat in Leiden worden) en tevens een van de voornaamste beoefenaars van de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië.

Hij had kort tevoren het Derde Nederrhijnsch-Nederlandsch Zangersfeest in Arnhem bijgewoond en was meegesleept geworden door de geestdrift voor het “groot gemeenschappelijk Vaderland” dat daar heerste, al besefte hij dat “ten onzent het gevoel van verwantschap en nationale eenheid met de Duitsche broeders nog in weinige harten ontwaakt” was.

Het was dus geen algemeen gevoelen dat hij vertolkte, maar er heerste, vlak vóór de revolutie van 1848 (die bij ons onbloedig zou zijn), wèl een algemene twijfel aan de levensvatbaarheid van een onafhankelijk Nederland na het verlies van België, terwijl het in Duitsland gistte van romantische vrijheidszucht, wat op velen in het suffe Nederland van toen indruk maakte.

Zou Thijs Wöltgens, de vorige voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer en nu burgemeester van Kerkrade, een verre nazaat zijn van Veth? De pers heeft de vorige week bol gestaan van berichten dat hij de opneming van Nederland als deelstaat in de Bondsrepubliek Duitsland zou hebben bepleit. Twijfel aan zijn goed vaderlanderschap werd uitgesproken. Tja, wat kun je anders verwachten van iemand uit Kerkrade, dat is 'vastgegroeid aan het Duitse Herzogenrath' - werd zelfs geïnsinueerd.

Laten we eens kijken wat hij werkelijk geschreven heeft in zijn artikel in het maandblad Socialisme en Democratie (7/8 1996). De gewraakte passage luidt letterlijk: “Er is [..] discussie mogelijk over de vraag of Nederland niet samen met het genoemde Bundesland (Noordrijn-Westfalen) als deelstaat van de Bondsrepubliek meer invloed in Europa zou hebben dan nu als een van de vele leden van de Europese Unie.”

Nu, wat is daar voor kwaads aan? Natuurlijk is daar discussie over mogelijk, zoals er over alles discussie mogelijk is. Het blijft bij een intellectuele gedachtenoefening, en waarschijnlijk heeft Wöltgens ook nog gelijk - wat evenwel nog niet betekent dat hij aansluiting bij Duitsland (of bij Noordrijn-Westfalen) ook bepleit.

Maar zo gemakkelijk komt Wöltgens er toch niet van af. Die gedachtenoefening is onderdeel van een hele gedachtengang, en die moeten we ook betrekken in het eindoordeel. Wöltgens gaat ervan uit dat de sociaal-democratie “een duidelijke vijand” kent: “het neoliberalisme, dat solidariteit vervangt door individuele risicodragende calculatie”. Later spreekt hij nog eens over “een duidelijk vijandbeeld”, dat onvermijdelijk is.

Terloops kan hier de kanttekening worden gemaakt dat Wöltgens (bewust of onbewust) de Duitse denker Carl Schmitt volgt, wiens beroemde geschrift (uit 1927), Der Begriff des Politischen aldus begint: “De eigenlijke politieke onderscheiding is de onderscheiding tussen vriend en vijand” (vijand niet als persoonlijke vijand opgevat).

Maar laten we niet ingaan op de inhoudelijke merites van Wöltgens' uitgangspunt. Vanuit dit uitgangspunt (dat we verder buiten bespreking laten) zegt hij: “Wij kennen thans een wereldmarkt zonder wereldoverheid. [..] Zonder het tegenwicht van een mondiale overheid is vrijhandel een gevaarlijk dogma, waarin ecologische en sociale randvoorwaarden ontbreken.”

Ook dit laten we onbesproken, teneinde niet op zijwegen terecht te komen. Wöltgens conclusie uit het gestelde is: “De sociaal-democratie zal dus haar thuishaven Europa als uitvalsbasis moeten kiezen om de condities van de internationale handel in overeenstemming te brengen met de bescherming van de zwakkeren en het behoud van ons leefmilieu.” Dat dus begrijp ik niet goed: uit de constatering dat er een wereldmarkt is, volgt niet logisch dat 'dus' Europa het tegenwicht moet bieden. Hier ontbreekt op z'n minst een schakel in de gedachtengang.

Maar goed, volgens Wöltgens betekent dit dat “aan de verplaatsing van deze politiek naar Brussel [..] geen ontkomen mogelijk” is. “Wij moeten van deze onontkoombaarheid een deugd maken. [..] Maar misschien is het nog belangrijker om onze burgers duidelijk te maken dat wij nu al - economisch gezien - een Bundesland van de Bondsrepubliek zijn, vergelijkbaar met Noordrijn-Westfalen.” En dan volgt de gewraakte zin over de grotere invloed die Nederland als deelstaat van de Bondsrepubliek op Europa zou hebben.

Dat Nederland, economisch gezien, al een deelstaat van de Bondsrepubliek is, heeft de liberale minister van Economische Zaken Langman al in het begin van de jaren zeventig gezegd, zonder verontwaardiging te wekken. En de vraag die de sociaal-democraat Wöltgens daaraan toevoegt, namelijk of Nederland als Duitse deelstaat niet meer invloed zou hebben op Europa, via Berlijn, vloeit daar logisch uit voort. Op zichzelf is er helemaal geen bezwaar tegen discussie over die vraag. Meer heeft Wöltgens - letterlijk gesproken - niet bepleit.

Maar ook hier komt hij nog niet zo gemakkelijk van af. Wöltgens is niet alleen maar burgemeester van een Limburgse gemeente; hij is ook een gewezen fractievoorzitter en als zodanig een invloedrijk politicus (die bovendien, met anderen, door zijn partij belast is met het formuleren van een nieuw beginselprogramma). In die hoedanigheid had hij zijn gedachten zo moeten formuleren dat misverstanden uitgesloten zouden zijn - ook bij slechte lezers.

Dit gezegd hebbend, wil ik één opmerking maken over Wöltgens' stelling (waarvan de gewraakte zin slechts een misbaar onderdeel is): het Europa dat hem voor ogen staat, moet zich tegen de wereldmarkt keren - “de darwinistische jungle van het neoliberalisme”, schrijft hij iets verderop. Dat wil dus zeggen: een protectionistisch Europa. Dáárover te discussiëren is belangrijker dan een debat over Wöltgens' terzijde.