Ook zegeltjes maken de benzine duur

DEN HAAG, 27 AUG. Dure zegeltjes-acties. Geen moordende concurrentie tussen grootwinkelbedrijven met eigen benzinepompen. Relatief kleine en dus minder economische benzinestations. Ambtenaren op het ministerie van Economische Zaken die de benzineprijzen in Europa nauwkeurig bijhouden hebben zo hun eigen verklaring voor het frustrerende gegeven dat de kale benzineprijs in Nederland consequent ten minste een paar centen per liter hoger ligt dan in de ons omringende landen - soms zelfs een paar stuivers per liter.

Met kartelafspraken tussen de oliemaatschappijen (zoals dit weekeinde weer eens werd gesuggereerd) hebben de hoge prijzen in Nederland niets te maken, meent Wim van de Gevel, plaatsvervangend directeur Olie en Gas van het ministerie van Economische Zaken. Hij noemt een aantal andere mogelijke oorzaken voor de prijsverschillen: de kale benzine is in Nederland duurder omdat de oliemaatschappijen hier meer dan elders investeren in allerlei klantbindende wervingsacties. ('Spaar 50 punten en win een reis naar Euro Disney!') De Consumentenbond heeft onlangs uitgerekend dat de kosten van dergelijke spaar- en zegeltjes-acties de weggebruiker al gauw enkele centen per liter scheelt.

De kale benzineprijs ligt in Nederland bovendien hoger omdat hier geen grote supermarkten bestaan die benzine verkopen tegen afbraakprijzen. De tankstations van zogeheten hypermarken in bijvoorbeeld Frankrijk verkopen hun brandstof niet zelden met verlies in de hoop klanten te trekken voor hun winkels.

De kale benzineprijs is in Nederland ook duurder omdat de tankstations hier kleiner zijn, legt Van de Gevel ten slotte uit. In Nederland wordt per pompstation minder benzine verkocht dan in bijvoorbeeld Duitsland. “Dat is een niet onbelangrijke factor in het geconstateerde prijsverschil.” Meer volume per tankstation betekent immers besparingen in kosten voor transport, reclame, marketing. En dat betekent lagere kosten per liter en dus een mogelijk lagere benzineprijs.

De oude discussie over de onnavolgbare hoogte van de Nederlandse benzineprijs is weer in volle hevigheid losgebarsten nu het kabinet in het kader van de komende begroting zinspeelt op een accijnsverhoging van enkele dubbeltjes per liter. Het Tweede-Kamerlid Hofstra van de VVD, de regeringspartij die het meeste moeite heeft met welke lastenverzwaring voor de Nederlandse automobilist dan ook, gaf afgelopen weekeinde voor de microfoon van Radio-1 de aftrap voor een kleine hausse aan berichten over te hoge benzineprijzen en vermeende onderlinge prijsafspraken tussen de grote oliemaatschappijen.

Eind jaren tachtig constateerde de Economische Controle Dienst na een uitgebreid onderzoek dat kartelafspraken niet aan de orde zijn. Een woordvoerder van minister Wijers (Ecoomische Zaken) zei gisteren dat de bewindsman dit onderzoek niet over gaat doen. Wel zal Wijers, mede tegen de achtergrond van de accijns-discussie in het kabinet, zijn departement laten uitzoeken hoe de benzineprijs nu precies tot stand komt. De prijs is opgebouwd uit een aantal componenten. Uitgaande van de prijs van Euro Ongelood 95 zoals deze op 19 augustus gold, komt Economische Zaken tot de volgende samenstelling: de literprijs aan de pomp bedroeg die dag 1,99 gulden. Dertig cent verdween naar de staat in de vorm van belasting over toegevoegde waarde, BTW. Een gulden veertien van de 1,99 gulden ging op aan accijnzen en heffingen: 1,10 aan accijnzen, 2,5 cent aan milieuheffing in het kader van de Wet Milieu Beheer, en 1,25 cent aan zogenoemde COVA-heffing, waarmee de overheid de noodzakelijke strategische aardolievoorraden in stand houdt.

Na aftrek van de BTW, de accijnzen en de heffingen blijft van de oorspronkelijke benzineprijs aan de pomp, bijna 2 gulden per liter, dus nog slechts 55 cent over. Dat is, zoals dat in vakjargon wordt genoemd, de kale prijs. Dat wil zeggen: de inkoopprijs, de distributiekosten plus de netto winstmarge. Distributiekosten zijn de kosten die de maatschappijen maken voor onder meer transport, reclame, personeel, aanleg/onderhoud van tankstations en voor allerlei klantbindendende zegeltjes- en spaaracties.

De inkoopprijs bedroeg 19 augustus 26 cent per liter, namelijk de prijs zoals die die dag tot stand was gekomen op de internationale oliemarkten. Bleef dus 30 cent over voor de distributie marge: voor de distributiekosten èn de winstmarge.

Tot zover de samenstelling van de literprijs Euro Ongelood 95 aan de Nederlandse pomp. De samenstelling krijgt meer reliëf als we haar vergelijken met de samenstelling van de literprijs in de ons omringende landen. Het feit dat Nederland de hoogste benzineprijzen heeft blijkt niet altijd toe te schrijven aan de overheid die het overgrote deel van de prijs afroomt, zoals vaak wordt verondersteld. In een aantal landen is het BTW tarief hoger dan in Nederland. En in een land als Frankrijk blijkt ook nog eens de totale som van accijnzen en heffingen 8 cent per liter hoger uit te vallen dan in Nederland, bovenop een accijnsverschil van 3 cent per liter.

De oliemaatschappijen blijken in Nederland gewoonweg de hoogste distributiemarges te hanteren. In Nederland bedroeg die marge die bewuste 19de augustus twee keer zo veel als in Frankrijk en zelfs drie keer zo veel als in het Verenigd Koninkrijk. Als de oliemaatschappijen in Frankrijk bij wijze van uitzondering op 19 augustus een zelfde distributiemarge hadden genomen als de maatschappijen in Nederland, was de prijs aan de pomp van Euro 95 ongelood in bijvoorbeeld Parijs niet vier cent goedkoper geweest dan in bijvoorbeeld Amsterdam, maar 11 cent duurder.

De ambtenaren van Economische Zaken verklaren deze margeverschillen dus onder meer uit de dure zegeltjes-acties, het ontbreken van hypermarkten en de kleinere pompen. In elk geval niet uit vermeende kartelafspraken tussen de oliemaatschappijen.