Fusieplan FNV leidt tot zorg over levenskans CNV

DEN HAAG, 27 AUG. De fusieplannen bij de grootste vakcentrale, de FNV, hebben tot onrust geleid binnen de christelijke vakcentrale CNV. Tijdens een verbondsraadsvergadering van deze vakcentrale heeft met name de voorzitter van de CNV Industrie- en Voedingsbond (62.000 leden), D. Terpstra, gisteravond zijn zorg uitgesproken. Terpstra is bang dat het CNV zal “marginaliseren” als er niet snel actie wordt ondernomen.

Terpstra wil de bonden van het CNV (360.000 leden) hergroeperen in een tweetal clusters: één voor de overheid en één voor de marktsector. De vier bonden die momenteel actief zijn in de marktsector - behalve de Industrie- en Voedingsbond, de Diensten-, Vervoers- en Bouwbond - zouden dan moeten worden opgeheven en opgaan in een nieuwe organisatie met zo'n 175.000 leden. “Voor de nog langere termijn”, zegt Terpstra desgevraagd, “kun je zelfs de vraag stellen of je nog wel bonden nodig hebt voor de aansturing van het vakbondswerk”.

Uiteindelijk wil Terpstra voor het CNV het nooit gerealiseerde Plan Kloos introduceren, waarbij onder de paraplu van de vakcentrale diverse vakgroepen (sectoren) vallen. De Industrie- en Voedingsbond experimenteert met zo'n opzet en is daarom opgesplitst in veertien vakgroepen. Terpstra heeft het naar analogie van het bedrijfsleven over business units: herkenbare eenheden als de metaalindustrie, de metaalnijverheid en de zuivel.

De overige drie marktbonden van het CNV hebben tot nu toe elk fusieplan afgewezen. Zij kiezen voor het model van: klein maar herkenbaar. Volgens Terpstra leidt dat op den duur tot minder invloed in bedrijven en de politiek. Zeker als bij de FNV een megabond van meer dan een half miljoen leden ontstaat. “De ontwikkelingen die nu bij de FNV plaatsvinden zijn onafwendbaar en onvermijdelijk als je kiest voor een sterke vakbeweging in de toekomst”, aldus Terpstra. “Daar kun je de FNV mee feliciteren. Ik hoop dat het ook binnen het CNV de nodige onrust veroorzaakt. Schaalvergroting is een vereiste om de vakbeweging op het bedrijfsniveau te manifesteren en om de individuele belangenbehartiging goed op poten te zetten”.

De CNC Industrie- en Voedingsbond is volgens Terpstra al twee jaar voorstander van een fusie van de vier marktbonden. Hij vindt het dan ook “frustrerend dat een aantal FNV-bonden nu wel de kansen pakt, die het CNV al twee jaar laat liggen”. Terpstra beschouwt de vakbond als een bedrijf dat herkenbare produkten levert. Het belangrijkste produkt is collectieve en individuele belangenbehartiging. De laatste jaren verschuift het accent vooral in de richting van belangenbehartiging voor individuen. Daarvoor is een bepaalde schaalgrootte vereist. Binnen het CNV wordt volgens Terpstra wel samengewerkt, maar die samenwerking heeft zijns inziens nog te veel het karakter van “fröbelwerk”. Terpstra bepleit een professionele aanpak van de belangenbehartiging. De structuur van de bond maakt hij daaraan ondergeschikt. “Het gaat om de belangenbehartiging en niet om de autonomie van onze toko”, aldus Terpstra. Hij nodigt de overige marktbonden uit voor fusiegesprekken.

Terpstra realiseert zich dat een initiatief van zijn kapitaalkrachtige bond met argwaan zal worden bekeken. Maar er is volgens hem geen alternatief voor schaalvergroting. Terpstra: “Het fusiegeweld binnen de FNV blijft niet zonder gevolgen voor het CNV. We kunnen deze ontwikkelingen niet negeren en op onze handen blijven zitten, alsof er niets aan de hand is”.