Er niet genoeg van kunnen krijgen

Zwelgen wij Grieken niet teveel? Deze vraag wordt gesteld door de Griekse journalist Paul Anastasi in het Engelstalige weekblad Hellenic Times, in de eerste plaats naar aanleiding van de Griekse successen bij de Olympische Spelen van Atlanta: vier gouden en vier zilveren medailles, zestiende plaats op de ranglijst vlak achter Nederland.

Anastasi constateert ridicule excessen in de manier waarop zijn landgenoten dit verrukkelijke nieuws, waar ze bijna een eeuw op zaten te wachten, savoureerden. Tot in den treure kregen zij de hoogtepunten van het gewichtheffen, turnen, hoogspringen en surfen te zien, niet één keer, maar zeker acht keer in elke nieuwsuitzending - de gemiddelde Griek heeft die prachtige sprong van Niki (de naam betekent overwinning) Bakoyanni waarmee zij zilver verwierf nu al tachtig keer aanschouwd. Zelf moet ik toegeven dat ik er ook niet genoeg van kan krijgen.

Maar de concurrerende televisiestations gingen ook op zoek naar elk familielid dat zij konden vinden, voor een vraaggesprek. De acht - zeven mannen en een meisje - kregen een massale huldiging in het Atheense Olympisch Stadion, waar de Spelen volgens de Grieken eigenlijk hadden moeten zijn gehouden en Anastasi noemt dit een 'Derde Wereld Festival', bombastisch, nationalistisch, militaristisch, begeleid door afgrijselijke elektronische muziek en zelfs met een kerkelijke ondertoon. Zeven atleten - ook het meisje - kregen de rang van korporaal en gewichtheffer Dimas, die deze rang al had sinds zijn goud in Barcelona, werd kapitein. President en premier van de republiek speldden de acht weer nieuwe eretekens op, deelden nieuwe diploma's uit. Daarna moesten de doodvermoeide helden naar Thessaloniki, waar alles nog eens dunnetjes werd overgedaan.

“Wij Grieken weten geen maat meer te houden”, schrijft Anastasi, en in hetzelfde nummer heeft hij nog een artikel om dit te adstrueren. Het gaat over wat hij noemt de Griekse nekromania, het helemaal opgaan in ziekbedden en begrafenissen van beroemde personen. De laatste tijd hadden we er drie: Melina Merkouri, Andreas Papandreou en de 'nationale ster', de in het buitenland onbekend gebleven Aliki Vouyouklaki. Ook hier putten de media zich uit in het zoeken naar onbekende details, familieleden die iets over het ziekbed konden vertellen en nog liever doktoren die de kwaal konden belichten. Tijdens het sterfbed van Vouyouklaki, dat enige dagen duurde, begonnen de nieuwsuitzendingen met minstens een half uur, aan haar gewijd. De meest bekeken zender, Sky, kon daarna nog drie kwartier over andere onderwerpen doorgaan, maar bij andere bleef daarvoor nauwelijks tijd over.

Het stuitendst vindt Anastasi de taferelen bij de begrafenissen, waar allerlei lieden komen om gezien en geïnterviewd te worden. De kerkelijke plechtigheid heeft altijd iets van een voorstelling, met toespraken en condoléances. De eigenlijke teraardebestelling echter is vanouds een familie-aangelegenheid. Op het allerlaatst wordt gewoonlijk de deksel van de kist nog even opgetild, voor een laatste afscheid. Maar bij Andreas Papandreou, en nog schriller bij Vouyouklaki, verdrongen de met elkaar vechtende camera's zowat de familie om deze laatste grote scène toch maar te kunnen vastleggen. Er wordt nu voor gepleit de televisie helemaal te verbannen van de begraafplaats. Anastasi klaagt nog niet eens over de helikopters van de diverse stations, die laag over de stoet vliegen en de stilte die zou moeten heersen verstoren.

Nu Anastasi toch over het zwelgen is begonnen, had hij ook nog een artikel kunnen wijden aan een andere vorm daarvan: het zwelgen in de misdaad. Het lijkt wel of er de laatste tijd steeds meer spectaculaire moorden komen, en ook deze vragen om een zendtijd van minstens een half uur voordat er iets anders aan de orde is gekomen.

Vorige maand schoot een aannemer zijn paranoïde zoon dood, omdat deze gevaarlijk zou zijn geworden voor de hele familie. Daarna hakte hij het lijk in stukken en probeerde deze te verbranden. De uitzendingen op de televisie behandelden vooral de vraag of het gelijk niet aan zijn kant stond. Deze maand hebben we het geval van een paranoïde student die zijn hele familie - vader, moeder, zuster, grootmoeder en oom - heeft doodgestoken, daarna in stukjes gehakt - bij Tsjaikovsky - en op de vuilnisplaats gegooid, in 34 plastic zakken. Ook hij handelde zoals hij zei, uit zelfverdediging, “anders zouden ze het mij hebben gedaan”.

Psychiaters, familieleden, ze komen in groten getale opdraven op het scherm, en de uitzendingen putten zich niet alleen uit in het vinden van lugubere details - met achtergrondmuziek - maar vooral ook in de voorgeschiedenis. Daarbij doet zich een wonderlijk fenomeen voor. De betreffende familie, waarvan de vader een schoolhoofd was, is al in mei verdwenen. “Ze zijn allemaal in Duitsland”, had de zoon-moordenaar gezegd en niemand in het dorp op het eiland Thasos vroeg verder. Men bemoeit zich hier niet met andermans familieleven - maar wel met familiedood. De minister van Orde heeft over dit verschijnsel zijn verontrusting uitgesproken.

Nog over iets anders zou men verontrust kunnen zijn. Leidt die ontzaglijke, niets ontziende publiciteit niet tot het gevaar van herhaling, van imitatie? Ik bedoel nu niet alleen het in stukken hakken, tweemaal binnen twee maanden. De vader die dit deed wil er niets over kwijt. Maar de student praat uiterst vrijmoedig over wat hij heeft gedaan, bijna of hij het graag kwijt wil (en de televisiezenders luisteren met nog grotere gretigheid).

Zou het niet kunnen zijn dat de publiciteit anderen op ideeën brengt? Eenzame wroeters eraan herinnert dat ze met één, of enkele klappen maximale aandacht kunnen krijgen voor hun problemen?