De Weerribben

Het laagveenmoeras De Weerribben kreeg deze maand het 'Europees Diploma voor Natuurgebieden'. De Raad van Europa heeft (NRC HANDELSBLAD, 13 augustus) speciaal waardering voor het feit dat de streekbewoners via de rietcultuur nauw bij het beheer zijn betrokken. De Weerribben worden geprezen om zeldzame vogelsoorten als purperreiger, snor en grote karekiet.

Een blik op de ontwikkeling van de vogelbevolking maakt echter duidelijk dat de rietteelt voor de meeste riet- en moerasvogels vooral grote problemen oplevert. In het Beheers-en Inrichtingsplan (1990) bleek al dat het gebrek aan overjarig riet een probleem is voor de meest karakteristieke vogelsoorten. De rietteelt in de Weerribben is een bedrijfstak, die mede dankzij forse subsidies uit de 'natuurpot' van de overheid in stand wordt gehouden.

Van de totale oppervlakte rietland in staatseigendom (1.200 hectare) is 900 hectare verpacht aan commerciële riettelers. Op enkele tientallen hectaren na worden alle rietvelden jaarlijks in de winter of het voorjaar gemaaid. Vogels die in het riet zouden willen nestelen, komen bedrogen uit: tot in het broedseizoen veroorzaken de werkzaamheden grote onrust. Om de rietvogels toch een kans te geven is voorzien in subsidie. Riettelers die op vrijwillige basis gedurende één jaar het riet op een deel van hun terrein laten staan, krijgen daarvoor een extra vergoeding. Helaas geldt de regeling maar voor enkele procenten van de totale oppervlakte rietland. Voor purperreiger, bruine kiekendief, blauwe kiekendief en velduil is niets geregeld. Zij hebben riet nodig dat meerdere jaren achtereen niet is gemaaid. Voor het in stand houden van hun broedbiotoop is geen subsidieregeling beschikbaar. Als De Weerribben werkelijk haar betekenis als natuurgebied wil waarmaken dan zou een beheer moeten worden ingevoerd waar juist de karakteristieke en bedreigde vogelsoorten van het laagveenmoeras baat bij hebben.