Zeden- en kinderpolitie gestript

ZWOLLE, 26 AUG. De politie in Zwolle krijgt jaarlijks zo'n drieduizend meldingen van jeugd- en zedenzaken. Het gaat om aangiftes over potloodventers, vermiste kinderen en verkrachtingen. Toch heeft het korps zijn mankracht op dat terrein teruggebracht tot drie specialisten.

Zij vangen slachtoffers op, trekken tips na en moeten zaken oplossen. Ze weten hoe te praten met het slachtoffer van een zedenmisdrijf of met ouders van een weggelopen kind. De centrale afdelingen jeugd- en zedenwerk van de rijks- en gemeentepolitie waar dertien ervaren rechercheurs vroeger samenwerkten, zijn sinds de politiereorganisatie opgeheven. “Bovendien moeten we veel mensen inleveren”, verzucht M. Gerritsen van politieregio IJsselland. “Geen wonder dat het aantal specialisten terugloopt.”

De Kamerfracties van PvdA, VVD, CDA en D66 klaagden vorige week over de geringe aandacht voor jeugd- en zedenzaken bij de regionale korpsen sinds de reorganisatie van de politie. De 25 nieuwgevormde politiekorpsen hebben veelal de afdelingen voor jeugd- en zedenzaken opgeheven. De specialisten zijn opgenomen in het algemene politiewerk. Decentrale politiezorg, met bureaus zo dicht mogelijk bij de burger, was het devies bij de reorganisatie. Politiemensen moesten overal inzetbaar zijn. Wie ervaring heeft met gevoelige zedenzaken staat daarin vaak alleen.

De Kamerfracties willen dat de ministers Sorgdrager (Justitie) en Dijkstal (Binnenlandse Zaken) de korpsbeheerders aansporen de centrale, specialistische afdelingen opnieuw in te voeren. Dat kan niet, zeggen de bewindslieden, omdat zij over onvoldoende mogelijkheden beschikken om de korpsbeheerders te dwingen hun zedenwerk op een bepaalde manier in te richten. De grote zedenzaak in België heeft de klachten in Nederland over de aandacht van de politie voor jeugd- en zedenzaken opnieuw aangewakkerd.

Sinds 1994 beslissen de politiekorpsen zelf waaraan zij hun geld uitgeven. Zij bepalen of ze een specialisme opheffen of behouden. Alleen in Amsterdam is bewust gekozen om de specialistische kennis en ervaring van jeugd- en zedenrechercheurs op één plek te houden, zegt woordvoerder K. Wilting. Zijn korps heeft bovendien geen mankracht ingeleverd, maar mensen erbij gekregen. Veel korpsen buiten de grote steden moesten wel inkrimpen. Daardoor komt er voor elke gepensioneerde of vertrokken specialist geen nieuwe bij en kan dat specialisme door personeelsverloop verwateren, vertelt Gerritsen in Zwolle.

“De steun die zedenspecialisten elkaar gaven binnen één afdeling is ook weggevallen”, zegt Gerritsen. Vroeger werkten in Overijssel dertien specialisten samen op jeugd- en zedenafdelingen. Volgens directeur Th. Knippenberg van Child Watch, een organisatie die ten strijde trekt tegen de exploitatie van kinderen, is die morele steun voor rechercheurs noodzakelijk om de schokkende confrontatie met geweld en seksueel misbruik in sommige zedenzaken te verwerken. “Onervaren agenten moeten braken als ze zien hoe slachtoffers zijn misbruikt. Na verloop van tijd leren ze met die gruwelijkheden omgaan.” De mogelijkheid om met tien mensen één zaak grondig aan te pakken is er ook niet meer, zegt Gerritsen. “En een rechercheur kan in zijn eentje nooit een zaak oplossen.”

Het grootste knelpunt bij de opsporing van enerzijds verdwenen mensen en weggelopen kinderen en anderzijds verkrachters en criminele netwerken, is de uitwisseling van informatie. Die verloopt stroef tussen politiekorpsen. Volgens de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) geven sommige korpsen te traag informatie door over vermissingen, verdachten of de aard van een zedenzaak. Als de typerende kenmerken van een dader van zedenmisdrijven landelijk bekend zijn, kan de CRI mogelijk patronen ontdekken. Te traag? Gerritsen van de politieregio IJsselland vindt dat niet verwonderlijk: “Als je met weinig mankracht tien zaken hebt opgelost en je hebt er nog tien liggen, dan ga je niet eerst administratieve gegevens doorgeven aan de CRI. Die tijd heb je nodig om in je district misdrijven te voorkomen.” Sinds kort beschikt de CRI over een systeem waarin de handelwijze van daders kan worden opgeslagen. Het systeem is overigens nog niet in gebruik.

Ook binnen de korpsen verloopt de uitwisseling van gegevens sinds de decentralisatie langzaam. Het ene bureau weet vaak niet waar het andere bureau mee bezig is. Zo weet beleidsmedewerker J. de Beer, van de centrale vakgroep jeugd- en zedenzaken van de regiopolitie Utrecht, niet hoeveel kinderen er eventueel vermist worden of waar een aanrander te werk gaat in een district aan de andere kant van zijn regio. Verbanden tussen vermissingen en misdrijven worden dus moeilijk gelegd. Zijn korps heeft daarvan de noodzaak ingezien en heeft deze vakgroep opgericht om de informatiestroom te verbeteren, vertelt de Beer.

Er is te weinig aandacht voor de vraag of vermiste minderjarigen zijn opgenomen in criminele prostitutie- of pornoproduktienetwerken, vindt Child Watch, dat vorig jaar een onderzoek deed naar seksuele exploitatie van kinderen in Nederland en de wereld, onder de naam Kind van de Rekening. Uit Nederlandse en internationale politiegegevens bleek volgens Child Watch dat ten minste 240 mensen in Amsterdam betrokken zijn bij kinderporno. Volgens Child Watch zoekt de politie niet gericht genoeg naar zulke circuits. “Ze stuit er vaak toevallig op, zoals toen de Rotterdamse politie een Duits jongetje zocht. Ze ontdekte, per ongeluk, een kinderbordeel”, aldus Knippenberg. Dat slechts twee van de zeshonderd medewerkers bij de CRI belast zijn met jeugd- en zedenzaken vindt Child Watch “belachelijk weinig”. Knippenberg: “Bij veel politiekorpsen en de CRI blijft de recherche naar zedenzaken en vermiste jongeren vaak bij intenties.”

In Nederland worden volgens de CRI jaarlijks ongeveer 16.000 personen, inclusief kinderen, als vermist opgegeven. Negentig procent van die mensen keert binnen een week heelhuids terug. Bijna tien procent wordt binnen een jaar levend of dood teruggevonden. Elk jaar verdwijnen ongeveer vijftien mensen voor langer dan een jaar. Zij worden in het algemeen nooit meer terug gevonden, zegt een woordvoerder van de CRI. Het signalement van iedereen die langer dan drie weken spoorloos is, wordt opgeslagen in een databank bij de CRI. Ook de 'onbekende lijken', die door niemand zijn geïdentificeerd, worden daar geregistreerd.