RACECIRCUS VAN DE GROTE GETALLEN

Een snelheid van 340 kilometer per uur. Een toerental van 17.000 toeren per minuut. Een jaarsalaris van veertig miljoen gulden. En 45 miljard kijkers. De Formule I is het circus van de grote getallen.

Op de smalle weg door de dennenbossen van het Belgische dorpje Franchorchamps naar het Formule I-circuit, wordt het lawaai steeds angstaanjagender. In de verte janken de 3000 cc-motoren als aangereden wolven, het gehuil zingt door het dal. De lokroep blijkt onweerstaanbaar voor racefans, die driehonderd tot zeshonderd gulden over hebben voor een toegangskaartje. Met koelboxen en vlaggen komen ze tevoorschijn uit hun tenten. Ze komen voornamelijk uit Duitsland. Kerpen, de geboorteplaats van wereldkampioen Michael Schumacher ligt tachtig kilometer van het circuit in de Ardennen.

Beneden in het dal heerst op vrijdagochtend al een hoop drukte voor een wedstrijd met negentien deelnemers. Zaterdag is de kwalificatie, zondag de wedstrijd, op vrijdag rijden de coureurs een vrije training. Maar de herrie is er niet minder om. Een auto met 17.000 toeren en 650 paardenkrachten die in een paar seconden, elektronisch gestuurd, schakelt van de tweede naar de zevende versnelling, doet meer pijn aan je oren dan een concert van de Rolling Stones volgen vanaf de eerste rij. Bij de stalletjes met T-shirts en petten zijn de oordopjes het eerst uitverkocht.

Spa-Franchorchamps is het 'mooiste en meest uitdagende racecircuit', zeggen alle coureurs. Het heeft traditie en is nog ouderwets lang (vroeger zestien, nu bijna vijf kilometer). Het is nog niet 'stukbeveiligd' en 'kapotvertraagd' door een overvloed aan langzame bochten. De Eau Rouge - een blinde bocht bovenaan een heuvel waar de coureurs met bijna 300 kilometer per uur links-rechts draaien - is de meest verschrikkelijke bocht ter wereld. “Pure angst”, voelt Damon Hill als hij er induikt. Na de dood van Ayrton Senna en Roland Ratzenberger was de bocht eruitgehaald, vorig jaar is hij weer opgenomen.

In de jaren zestig, toen Jim Clark viermaal op rij de Belgische Grand Prix won, sliepen de coureurs nog in pensions in het dorp. Ze deelden de kamer met journalisten om de kosten te drukken. De auto's stonden in garages tegenover het hotel. Een legendarisch ontwerper als Colin Chapman trok desnoods zelfs een overall aan om 's nachts aan de versnellingsbak van Clark te sleutelen.

Dertig jaar later is Formule I een dictatoriaal geleid, zwaar bewaakt en gereglementeerd circus. Het circus van de grote getallen. Een topteam heeft een budget van 75 tot honderd miljoen gulden per jaar. Schumacher verdient naar verluidt een jaarsalaris van veertig miljoen gulden. De organisatie schermt met 45 miljard kijkers (van tenminste een deel van een wedstrijdverslag) per seizoen, met uitzendingen in meer dan 180 landen. Die cijfers zijn alleen te vergelijken met de Olympische Spelen en het WK voetbal, maar die worden eens in de vier jaar gehouden. De Formule I telt dit seizoen zestien races, volgend jaar zeventien.

In het midden van het circuit ligt de paddock, slechts toegankelijk met speciale pasjes voor sponsors, andere VIP's, personeel en vertegenwoordigers van de media. In de paddock ligt onder meer het rennerskwartier. Er staan staan tientallen luxe uitgevoerde vrachtwagens waarin de sponsors hun gasten verwennen. En er is de pits.

De topteams (Williams-Renault, Benetton-Renault, McLaren-Mercedes en Ferrari) hebben vier tot zes blinkend schone garageboxen ter beschikking en veertig tot zestig man personeel in dienst. Bij iedere wagen staan er twaalf uur per dag zes volwassen kerels te poetsen en te sleutelen. Van dichtbij is goed te zien hoe dun en licht het materiaal van het chassis is. Carbonfiber met een honingraatstructuur, vijf keer zo licht en twee keer zo sterk als staal. De wagens zijn klein en laag, niet hoger dan je heup. Maar de motoren hebben het formaat van de grootste breedbeeldtelevisie.

Achteraan de pitsstraat zijn de kleinere teams te vinden. Het is er net iets rommeliger, net iets minder schoon. Het zijn teams die iedere keer hopen hopen dat hun coureurs de race uitrijden en het materiaal heelhouden. Zij hebben geen grote sponsors, maar een heleboel kleintjes. Op de Footwork-Hart van Jos Verstappen staan zestien verschillende namen, op het briefpapier van zijn team zelfs 25.

Na de training komen eerst Damon Hill, de leider in het klassement voor het wereldkampioenschap, en daarna Jacques Villeneuve naar de motorhome van Rothmans, hoofdsponsor van het team-Williams dat dit jaar de Formule I domineert. Hill is 35 en een nerveuze, introverte Engelsman. De Canadees Villeneuve is tien jaar jonger. Hij won vorig jaar in de Verenigde Staten het IndyCar-kampioenschap en maakt dit jaar zijn debuut in de Formule I.

Hill vertelt dat hij thuis in Engeland een Renault Laguna of Espace rijdt. Het belangrijkste verschil tussen die auto's en zijn racewagen is het comfort. “Een gewone auto is veel comfortabeler en veel rustiger. Mijn racewagen is gebouwd met maar één doel: snelheid. Er zit helemaal niets overbodigs in.” Hill wil geen verdeling maken tussen het aandeel van de auto en het aandeel van de coureur in een wedstrijd. “De beste coureurs komen automatisch terecht in de beste auto's. Als je niet optimaal gebruik maakt van een goede auto, pikt iemand je stoel in.”

Villeneuve verbaast vriend en vijand door op voor hem onbekende circuits heel hard te racen. “Ik heb lol”, zegt hij met vrolijke pretogen. Zijn topsnelheid dit jaar was 340 kilometer per uur, op het circuit van Hongarije. “Maar hard rijden op een recht stuk is geen kunst”, zegt Villeneuve. “Dat kan iedereen. Het leukste is zo hard mogelijk door de bocht. En het racen met wiel tegen wiel.” Villeneuve benadrukt dat hij thuis in de straten van Monaco nooit hard rijdt. “Je bent niet alleen op de weg. Om de hoek kan er wel iemand zijn auto staan te wassen, waardoor het er opeens glad is.”

In de wedstrijd is Hill een van de verliezers. Hij start traag, wordt slechts vijfde en verspeelt een deel van zijn voorsprong op zijn teamgenoot Villeneuve, die als tweede eindigt. De andere verliezer is Verstappen, die in de twaalfde ronde een zware crash maakt. Een uur na de wedstrijd ligt het wrak er desolaat bij in de garagebox. Zwijgend laden de monteurs hun spullen in de vrachtauto. Verstappen is dan al per helikopter afgevoerd naar het ziekenhuis in Luik. Hij is er af gekomen met pijn in zijn nek en enkele schaafwonden.

Winnaar Schumacher staat drie uur lang de pers te woord, een brede lach in zijn kaken geperst. Zijn tweede zege dit jaar is een welkome verrassing in een rampenseizoen bij Ferrari. Mika Hakkinen is eveneens blij. De Fin werd derde. Als enige van de gehuldigden heeft hij zijn magnum champagne niet leeggespoten. “Ik bewaar altijd wat voor de monteurs.”

Na de wedstrijd willen de honderdduizend fans dolgraag hun helden nadoen. Maar er staat een file van tientallen kilometers op de smalle wegen rondom het circuit, er staat twaalf kilometer op de snelweg. Ook de vijftig bussen met fans van Verstappen komen slechts stapvoets vooruit. Pas voorbij Maastricht kan het gaspedaal worden ingedrukt.