Opeens overal Japanners in M-Oosten

GAZA, 26 AUG. “Daar komt weer een zak geld”, zei een oude Gazaan gisteravond toen hij een colonne diplomatieke limousines zag naderen. Maar toen hij de Japanse vlag op die auto's zag prijken, corrigeerde hij zichzelf: “Oei, daar komt de allergrootste zak geld.” Even later maakte de Japanse minister van Buitenlandse Zaken, Yukihiko Ikeda, in een bliksembezoek aan Gaza de reputatie van Japan als grootste donorland aan de Palestijnen meer dan waar.

Ikeda zegde de Palestijnse leider, Yasser Arafat, negen nieuwe hulpprojecten toe, ter waarde van 11,6 miljoen dollar. Eerder op zijn Midden-Oostenreis beloofde hij ook Syrië en Jordanië vele miljoenen. Vandaag voerde hij besprekingen met de Israelische president Weizman en premier Netanyahu. Dinsdag vliegt Ikeda naar Saoedi-Arabië.

Als ergens te merken is dat Japan uit zijn internationaal-politieke isolement treedt, is het wel in het Midden-Oosten. Door ruim te geven en te investeren, hoopt het zijn economische macht stilaan te vertalen in politiek prestige. De Arabische media, die het bezoek van de Japanse premier vorig jaar nog goeddeels aan zich voorbij lieten gaan, berichtten in extenso over Ikeda's pendel. Radio Jordanië opende gisteravond zelfs met het nieuws dat koning Hussein nog druk met hem delibereerde over een Japanse bemiddelingsrol in het vredesproces - terwijl de minister allang met Arafat zat te eten, en zijn medewerkers de Palestijnen lieten proeven dat de meegebrachte sojasaus heerlijk smaakt op kebab.

Japanners zijn plotseling overal. Als kinderen in Gaza drie jaar geleden een Japanner zagen lopen, zakten hun monden open van verbazing. Nu troeven ze elkaar af met zakradiootjes die zij van de zoveelste Japanse adviseur of cameraploeg hebben gekregen. Hun held is een Japanner in een vrolijke woonwagen die poppenkast speelt waarin ludieke lessen over het milieu verpakt zitten. In Kairo loopt de Egyptische elite plotseling Japanse filmfestivals af. Japanse high-tech-bedrijven sluiten er joint ventures, lokale ontwikkelingswerkers vechten om gratis plaatsen op de Vredesboot uit Tokio, die elk jaar in Egypte aanlegt en dan doorstoomt naar Amerika. In Beiroet zie je Japanse projectontwikkelaars met helmen op door de ruïnes stappen. Ze investeren druk in de wederopbouw. Zelfs op de Golan lopen Japanners rond. Begin dit jaar brak Japan daar met de gewoonte om geen waarnemers aan vredesmachten te sturen. “Wij willen het vredesproces steunen”, verklaart eerste secretaris Yamaguchi van de almaar uitbreidende Japanse ambassade in Tel Aviv de opmars in de regio. Hij voegt eraan toe: “Op die manier zoeken wij ook een politieke rol.”

Hulp aan de Palestijnen is de kern van het Japanse Midden-Oosten-beleid, dat er uiteindelijk op gericht is om op internationaal politiek gebied een tegenwicht tegen Amerika te vormen. Sinds Arafat zich in Gaza vestigde, zomer 1994, heeft Japan 220 miljoen dollar gestoken in rioleringen, wegen, culturele centra en training van ambtenaren. Anders dan andere donoren maakt Japan elke beloofde cent direct over. Minister Ikeda meed Orient House om Israel niet voor het hoofd te stoten, maar de computers in dat gebouw zijn wel door Japan betaald. Diplomaat Yamaguchi, die zelfs van de partij is als er in Gaza een restaurant wordt geopend (waar hij prompt meer handen schudt dan de trotse eigenaar), spreekt openlijk over 'Palestina'.

Anders dan in Amerika, Engeland of Frankrijk heeft Japan geen historie hier, zelfs niet recent. Twee jaar geleden had het geen enkele politieke ingang. De manier om die achterstand in te halen liep via grootscheepse hulpverlening. Nu al leidt Japan, als grootste donor, de regionale onderhandelingen over het milieu. Door in januari tachtig waarnemers naar de Palestijnse verkiezingen te sturen, verwierf Japan een stem in de politieke evaluatie van de internationale gemeenschap. Een Palestijn die de waarnemers gidste, vertelt dat zij elke dag onzeker vroegen, de erren en ellen verwisselend: “How are the elections going?” Maar zij vroegen ook: “Vindt u dat Japan een permanente zetel in de Veiligheidsraad verdient?” In een opiniepeiling die Buitenlandse Zaken in Tokio laatst onder Palestijnen liet uitvoeren, kwam die vraag letterlijk terug.

Terwijl de Palestijnen klagen dat Amerikaanse adviseurs te veel aan de hulpindustrie verdienen, te pro-Israelisch zijn of “de regio aan zich onderwerpen”, dragen zij de Japanners op handen. “Japanners praten niet, ze luisteren”, zegt een Palestijn die voor een van de vele Japanse journalisten werkt die het laatste jaar in Jeruzalem zijn neergestreken. “Verder betalen ze ons, lokalen, tweemaal zoveel als andere buitenlanders.” Na Ikeda's bezoek aan Gaza krijgt hij het drukker dan ooit. Hij moet Arafat volgen voor de Japanse tv. Anders dan Netanyahu kreeg de PLO-leider namelijk van Ikeda een uitnodiging om in september naar Japan te komen. “En in Japan wil iedereen nu alles over Arafat weten.”