Het is gedaan met de stilte van Brabant

Noord-Brabant, de snelst geïndustrialiseerde provincie, groeit dicht. Het onderscheid tussen stad en platteland vervaagt. Het ligt er wanhopig bij, dat lieve Brabant. Wie heeft er nog weet van wuivende korenvelden.

Een boerengezin op een erf met een overzichtelijke klocht kippen. Aan de ene kant de schamele met riet gekapte boerderij, aan de andere de stal en het bakhuis. De boerin met witte muts schilt de aardappels. Een foto in de serie “Ach lieve tijd” van hoe Brabant voor de Tweede Wereldoorlog was. Langs de boerderijen liepen mulle zandwegen. Men at wat het schamele land voortbracht.

Nu zijn de immense stallen volgepropt met koeien, kippen en varkens. Het aantal varkens alleen al groeide van 1,6 miljoen in 1970 tot 6,3 miljoen in 1995. De zonen van de keuterboeren zijn managers geworden van ingewikkelde, kapitaalintensieve bedrijven. De Brabantse landbouw is goed voor twintig procent van de industriële produktie van Nederland. De mest, die vroeger zo zeldzaam was dat de potstal werd gekoesterd als een parel, raakt men niet meer kwijt op het eigen land omdat er te veel van is. Fosfaat en nitraat vervuilen het water, ammoniak bezoedelt de lucht nog altijd ook al komen er steeds meer emmissie-arme stallen en is mestinjectie verplicht.

Gaandeweg verschenen op de snelwegen files die tot dan toe alleen maar in de Randstad stonden. Het oude Brabant wordt alleen nog gespeeld op de oudeambachtenmarkten of braderieën. Het zijn voornamelijk de allochtonen die zich in kielen, klompen en boerenkappen tooien en het peperkoekslaan praktiseren of het bakken van struif (pannenkoeken). “Vroeger” trekt vele duizenden bezoekers. Het heimwee is kennelijk massaal.

De na de Randstad meest geïndustrialiseerde provincie raakt verstopt met autowegen, bedrijventerreinen en woonwijken. Dorpen groeiden aan de steden vast. De nieuwbouwwijken van Veldhoven onderscheiden zich in niets meer van die van het aangrenzende Eindhoven.

Er is veel verdriet over de teloorgang van het Brabantse platteland. De ruimte en de rust waarmee de grootste provincie van Nederland mensen en bedrijven lokte verdwijnen. Zelfs op de grote stille heide van het natuurgebied de Kampina tussen Boxtel en Oisterwijk roezemoest in de verte altijd het lawaai. Daar vallen de vennen droog en verstikt gras de erica. Milieu en natuur immers zijn verpest door vermesting, verzuring en verstening. “Het gaat nog steeds slecht, maar er is reden voor voorzichtig optimisme”, staat in een provinciale folder, waarop een das en het heideblauwtje (een vlindersoort) zijn afgebeeld. “Gerichte maatregelen, zoals het weer laten meanderen van beken, hebben soms al binnen enkele jaren een toename van zeldzame soorten tot gevolg.”

Maar de Brabantse Milieu Federatie is daar niet gerust op. “Als de provincie iedere wens met een economisch luchtje blijft honoreren”, zei directeur P. van Poppel onlangs in de provinciale pers, “dan gaat de hele ecologische structuur van Brabant naar de knoppen.” Gedeputeerde P. van Geel voor ruimtelijke ordening: “Door de groene hoofdstructuur heilig te verklaren miskent Van Poppel de dynamische ontwikkeling van Brabant.”

Op dorpen worden voor ouders voorlichtingsavonden gehouden over de gevaren van drugsgebruik. Een vrouw in een Middenbrabants dorp kwam ontdaan thuis omdat ze in de goot bij de Rabobank een drugspuit had gevonden: “De eerste.” Sinds de politie zich na de reorganisatie op de stad terugtrok ziet men in de dorpen nog maar zelden blauw op straat. Tot in de kleinste gemeenschappen toe verschenen winkelcentra. Ze kwamen, lijkt het wel, in de plaats van de kerk, want Brabant is van God los. Het bisdom Breda wil kerken gaan afbreken omdat het onderhoud niet langer is te betalen aangezien er nog maar weinig gelovigen zijn die de bijdragen betalen. Daarmee wordt ook het laatste herkenningspunt van de dorpen uitgewist. Het jaar 2050 waarvoor Wouter van Dieren voor de provincie “een schitterend vergezicht” ontwierp met moerassen rond de steden, die dan in hun eigen behoeften voorzien, is een utopie.

“Ach, wat ligt het er wanhopig bij, dat lieve Brabant. De schilderachtige gastvrijheid zit nu achter de kassa's van de pretparken. Wie heeft er nog weet van de wuivende korenvelden, opgesloten als boeren leven in hun grote stallen.” Zo staat het in de provinciale uitgave van 1990 Brabant met gevoel. “De bossen op sterven, de heide al dood. Het Brabantse buitengebied is van binnenuit verloederd, ontkerkelijkt. Schrijnend is het te moeten constateren dat de crisis zowel daar als in de steden niet door het 'provinciaal verstand' voorzien is. De tijd is rijp en de ruimte is voorhanden om het landelijk gebied opnieuw te idealiseren maar nu als onmisbare contra-mal van de grote stad.”

“Ook in 1995 groeide de Brabantse economie harder dan het landelijke gemiddelde”, rapporteerde pas geleden het Economisch Technologisch Instituut Noord-Brabant in zijn conjunctuuroverzicht. Twintig procent van het bruto nationaal produkt wordt in deze provincie gemaakt. Van de 2,3 miljoen Brabanders woont 56 procent in het stedelijk gebied en dat percentage groeit. In Breda, Tilburg, Eindhoven, Helmond en 's-Hertogenbosch zit zestig procent van de werkgelegenheid. Tot 2015 moet de woningvoorraad onder meer om de overloop uit de Randstad op te vangen groeien van 875.000 naar 1 miljoen. Daar is tussen de 75 en 120 vierkante kilometer grond voor nodig. De Brabantse boeren maken zich ongerust over de opmars van de burgerij op het platteland. Agrarische bedrijfsruimten veranderen in woningen.

“Een ruilhandeltje in antiek wordt een antiekhal. Een paar caravans blijken het begin van een grootschalige camping. Gevolg is dan dat de naburige boeren al gauw in hun bedrijvigheid belemmerd gaan worden”, zei het hoofdbestuur van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond onlangs na een vergadering, waarbij moet worden opgemerkt dat de boeren die de boerderijen verkochten er financieel niet slechter van werden. “De landbouw”, aldus het NCB-hoofdbestuur, “moet toch al veel grond prijsgeven omdat in veel gebieden de natuurontwikkeling, de uitbreiding van steden en bedrijfsterreinen voorrang krijgen.” Tussen 1985 en 1995 gingen volgens de cijfers van het CBS 3.271 hectare als cultuurgrond verloren, maar met ruim 272.000 hectare bezit de boerenstand toch nog altijd meer dan de helft van het provincieoppervlak. In de stedelijke gebieden worden de meeste woningen gebouwd. “Dit is”, zegt de provincie, “in overeenstemming met het beleid: versterking van de stedelijke structuur en zoveel mogelijk openhouden van het landelijk gebied.”

Maar hoe waarachtig is dat beleid? 's-Hertogenbosch slaagde er na jaren touwtrekken met de buurgemeente Sint-Michielsgestel in om de sprong te maken over de A2, die tot nog toe de stad scheidt van het buitengebied. Honderd hectare en straks wellicht 250 hectare van een terrein, dat van natuur- en landschappelijke waarde wordt geacht, wil de Brabantse hoofdstad volbouwen met woningen en bedrijven. Burgemeester G. Schinck van Sint-Michielsgestel: “Op een en dezelfde dag moest ik op het kantoor van het stadsgewest eerst gaan praten over de zorg om de natuur en vervolgens over de aspiraties van Den Bosch om te gaan bouwen op een stuk grond dat als een buffer zou moeten dienen naar het platteland. Zo groeit alles dicht.” De Raad voor welzijn, onderwijs en cultuur Noord-Brabant luidde in zijn Nieuwjaarsbrief 1996 de noodklok: “De variëteit stedelijke gebieden en het buitengebied is een kostbaar bezit van Noord-Brabant. De stad biedt het ochtendconcert en open winkels op de zondagmorgen; in het landelijk gebied kan men rust en stilte vinden. Als alle dorpen echter winkelpromenades en stadskantoren gaan bouwen en overal op het platteland versterkte muziek is te horen zal het onderscheid met de stad verdwijnen. Dan ontstaat er één groot verstedelijkt gebied waarin geen echte steden of dorpen meer te onderscheiden zijn.”

De raad wijdde een congres aan het onderwerp. Willem van Toorn, die de vernieling van zijn woonplaats Hoofddorp beschreef in 'n Leeg landschap, klaagde er over het verdwijnen van de leesbaarheid van de bebouwde ruimte. “Het gezicht is geen gezicht meer, centra spreken niet meer voor zichzelf omdat ze allemaal op elkaar lijken. De omgeving waarover geen verhaal meer is te vertellen is een slechte omgeving.” Gedeputeerde Van Geel op hetzelfde congres: “De Brabander leefde in zijn dorp, in zijn achtertuin, die meestal diep was met informele gebouwtjes waar later de kinderen in gingen wonen. Dat kon zo niet doorgaan. Toen kwam de planning, maar die maakte veel kapot van wat er in de samenleving leefde.”

Het bestuur van de gemeente Haaren in Midden-Brabant wil meer huizen hebben dan provincie en rijk toestaan. “Woningbouw is van overlevingsbelang”, zei een wethouder in de plaatselijke pers. De wijkraad van het Kempendorp Borkel en Schaft, nu deel van de gemeente Valkenswaard, zei onlangs dat de leefbaarheid in gevaar is na het verdwijnen van de kruis- vereniging en het postkantoor. Hij eist dat bij het bouwen van nieuwe huizen de eigen jongeren het voorkeursrecht krijgen. De Westbrabantse gemeente Rucphen werd door de provincie op de vingers getikt omdat ze 160 illegale gebouwde woinigen had getolereerd. Ook de contra-mal kent dus haar eigen landhonger. De kermis werd opgezet in Gemert in Oost-Brabant. Het dorp met 18.000 inwoners is in trek om er te wonen. Omdat Gemert in de provinciale planologie een groeiklasse-3-gemeente is, is het migratiesaldo vastgesteld op 0 en mag er alleen nog maar worden gebouwd voor de eigen inwoners.

Daarom kent de gemeente een lotingssysteem om de nieuwe kavels te verdelen waarbij slechts de eigen inwoners of degenen die economisch aan de plaats gebonden aan bod komen. Bovendien moet een Gemertenaar die een nieuw huis bouwt het oude huis eerst aanbieden op de lokale markt. Burgemeester J. van Maasakkers, tot voor kort voorzitter van de eerder genoemde Raad voor onderwijs, welzijn en cultuur: “De minister van Volkshuisvesting vindt dat niet leuk, maar laat ze hier dan maar eens komen vertellen aan mensen die in Gemert geboren en getogen zijn dat ze hier NIET mogen bouwen.”

Hij vindt het ook onjuist dat de provincie wel in permanent overleg is met de steden en niet met de dorpen, “terwijl we als platteland opkomen voor rust, ruimte, landschap en natuur. Het wordt tijd om de krachten in het landelijk gebied te bundelen. Dan gaan gaan we niet onder in de grijze massa van het gemiddelde waarin niemand zich meer thuisvoelt. Dat is het gevaar wat deze provincie bedreigt. We willen als Gemert niet per se groter worden. We spannen ons geweldig in om in te breiden, dat wil zeggen om grond in de bebouwde kom die vrijkomt door afbraak van kloosters, fabrieken en scholen optimaal te benutten, hoewel die grond veel duurder is dan die in het buitengebied. We doen dat om uitdijen te voorkomen. Daar zou een premie op moeten staan om meer te mogen bouwen, want daarmee ga je de verstedelijking tegen. Een dorp dat zich niet kan ontwikkelen is ten dode opgeschreven. Je hebt mensen nodig die in de harmonie spelen, in besturen gaan zitten en bedrijven die de activiteiten subsidiëren. Rust moet er zijn, maar er moet”, aldus de burgemeester, “ook leven zijn in de brouwerij anders wordt het al vlug een museum.”

    • Max Paumen