Goede studenten, slechte minister

Deze week gaan de Kamerfracties hun mening formuleren over de wet 'Modernisering universitaire bestuursstructuur' (Mub). Die wet is afkomstig van hetzelfde ministerie dat ooit bedacht dat alle beurzen en leningen aan studenten het best in één computer in Groningen konden worden opgeslagen.

Hetzelfde ministerie ook waar PvdA-bewindslieden Nederland probeerden te overtuigen dat massascholen de beste scholen waren, totdat die ideologie de PvdA in Leeuwarden, Gouda en andere plaatsen zoveel stemmen gingen kosten dat partijvoorzitter Rottenberg zijn hardnekkige partijgenoten in Zoetermeer dringend vroeg er mee op te houden. Groter is beter en het best van alles is één landelijke regeling voor het hele land: dat zijn de organisatieprincipes van minister Ritzen en staatssecretaris Netelenbos. De bloeiperiode van deze principes wordt algemeen gedateerd in het Stalinistische Rusland van de twintiger jaren, maar dat belet Ritzen niet om ook met de nieuwe wet Mub opnieuw landelijk tot in detail voor te schrijven hoe de universiteiten zichzelf moeten organiseren.

De Universiteit Nijenrode heeft gelukkig de vrijheid bedongen om haar eigen interne bestuursvorm te kiezen. Ik heb zelf kunnen ervaren hoe die op twee punten afwijkt van de staatsuniversiteiten. In de eerste plaats hebben de studenten meer te vertellen dan elders, en zeker meer dan straks nog is toegestaan in de wet Mub. Het tweede, nog belangrijker, verschil tussen Nijenrode en de staatsuniversiteiten is dat wij niet werken met vakgroepen. Iedere individuele wetenschapper praat met de decaan over zijn werk en de mix tussen onderwijs en onderzoek. Aan de staatsuniversiteiten, daarentegen, maakte het systeem van vakgroepen het wel erg makkelijk voor lui personeel om zich te verschuilen achter hun ijverige collega's. De oude wet op het universitair bestuur kende namelijk de vakgroepen als kleinste eenheid, met als idioot gevolg dat de leiding vaak zelfs niet wist hoeveel uur per week een individuele hoogleraar college gaf.

Niet bekend

Dát was altijd de zwakke plek in het universitaire bestuur van de staatsuniversiteiten: de vakgroep als kleinste bestuurlijke eenheid met daardoor het onvermogen voor de leiding om per individuele wetenschapper ijver, enthousiasme en kwaliteit van het werk te meten. Daarom ben ik het honderd procent eens met oud-minister Veringa die in Vrij Nederland van vorige week verklaart: 'niemand kan bewijzen dat het aan de studenten ligt dat er niet efficiënt genoeg wordt gewerkt. Ik vind het jammer dat de discussie nu deze wending neemt'. Studenten hebben immers een belang bij een diploma dat waarde heeft in de ogen van toekomstige werkgevers. Daarom zijn studenten in het algemeen een factor vóór serieus onderwijs.

Als de kwaliteit van de staatsuniversiteiten hier en daar is gedaald, komt dat niet omdat de studenten zo graag vijf jaar van hun leven besteden aan het verwerven van een waardeloos diploma. De schuldige is minister Ritzen, vol planningstechnieken uit de jaren twintig, die denkt dat hij het 'rendement' kan verhogen door de universiteiten financieel te belonen wanneer een hoger percentage van de studenten op tijd afstudeert. Maar als een hoger slagingspercentage voor de tentamens direct meer guldens oplevert voor de universiteit, wees dan niet verbaasd wanneer de kwaliteit achteruitgaat.

Kamerleden zullen ook wel terugkomen op de bizarre ontwikkelingen rondom Meike Vernooy die zo'n prachtig eindexamen deed en toch geen medicijnen mocht studeren. Is het niet griezelig dat een grote universiteit volgens de huidige regelgeving niet eens het recht heeft om één enkele student zelf uit te kiezen en toe te laten? Net als de wet op het universitaire bestuur vindt ook het dwaze systeem van loting voor medicijnen een verklaring in de studentenbeweging van de jaren zestig. Toen was de toelating tot de medicijnenstudie nog vrij en kwamen bijvoorbeeld studenten uit Noorwegen hier de opleiding volgen. Steeds langer moesten medische studenten echter wachten tot er plaats voor hen was bij de klinische vakken in de hogere jaren, en dus begonnen de universiteiten het karakter van de medische tentamens te veranderen. Het ging er niet meer om hoeveel studenten de stof beheersten, maar voor hoeveel studenten er plaats was in het volgende studiejaar.

Ik was in 1968 voorzitter van de landelijke studenten vakbond, en ons bestuur heeft toen een kort geding aangespannen tegen de Leidse universiteit uit protest tegen de steeds langere wachtlijsten voor oudere medische studenten en de oprukkende praktijk van examens waarbij van te voren vaststond hoeveel studenten mochten doorgaan. De voorbereiding van dat kort geding was vrolijk: wij belden met de keurige echtgenote van de president-curator van de universiteit om haar op zondagavond thuis alvast te waarschuwen. 'Mevrouw, uw man is betrokken geraakt bij een vervelende rechtszaak, mogen wij zijn geboortedatum en volledige voornamen?'. Maar de uitslag van het kort geding had minder vrolijke gevolgen.

Wij studenten wonnen van de universiteit omdat in de toelichting op de wet duidelijk stond dat examens bedoeld waren om de kennis van studenten te toetsen en niet om het aantal studenten dat mocht doorstromen naar het volgend jaar volgens plan in te perken. Vergelijkende examens bleken dus in strijd met de wet, en dat bracht de opvolgers van minister Veringa er toe om loting in te voeren. Daarom zou het wijs zijn wanneer het parlement ook nadenkt over een wetswijziging die het universiteiten mogelijk maakt om met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid voortaan vergelijkende examens af te nemen. Dan kunnen de medische faculteiten in december van het eerste studiejaar en opnieuw in de junimaand daarna met twee vergelijkende examens de instroom terugbrengen tot een aantal dat hanteerbaar is voor de klinische vakken in de hogere studiejaren. Zo'n systeem is op deze pagina al bepleit door de medicus prof. Van Rossum uit Utrecht. Iedereen die het eindexamen haalt van het VWO heeft dan de kans om te beginnen aan de medicijnenstudie, en de besten blijven over.

Natuurlijk, de correlatie tussen studiecijfers in het eerste jaar en succes in de medische praktijk is geen honderd procent, maar in ieder geval groter dan nul. Ajax houdt toch ook geen loting om uit te maken welke junioren doorgaan in de selectie voor de hogere elftallen? En de conservatoria laten toch ook niet door het lot beslissen welke studenten docent worden op de muziekschool en wie faciliteiten krijgt om door te oefenen voor het concertpodium?

Daarom twee conclusies: mijn oude makker uit de studentenvakbeweging Jacques Wallage hoeft zich helemaal niet te schamen voor onze acties van weleer voor meer openheid en democratie aan de universiteiten. De enige grote fout in de wet van 1970 was de keuze voor de vakgroepen als kleinste eenheid, maar dat was een idee dat directeur-generaal Pikaar had gepikt uit Frankrijk en dat nu maar snel moet verdwijnen. En laat de Tweede Kamer duidelijk maken aan minister Ritzen dat iedereen die zo graag medicijnen wil studeren de kans moet hebben om te laten zien wat hij of zij waard is. Liever twee vergelijkende examens in december en juni van het eerste jaar van de medicijnenstudie dan de domme loting.

    • E.J. Bomhoff