De Franse 'Westhouck' is ons ontstolen

De scheiding der Nederlanden is een gebeurtenis die sommigen nu nog betreuren. “Indien de geschiedenis met de Vrede van Munster in 1648 anders zou zijn geschreven, waren we nu één staat”, mijmert de Vlaming Edwin Truyens. Hij huldigt de 'grootnederlandse' gedachte dat Nederland en Vlaanderen 'staatkundig herenigd' moeten worden.

Een hereniging die naar zijn mening meer dan ooit nodig is. “In het kader van de Europese eenwording moeten de 21 miljoen Nederlandstaligen met één stem spreken. Ook economisch zouden we sterker staan, bijvoorbeeld tegen de Franse penetratie in Vlaanderen.”

Truyens is voorzitter van het Vormingsinstituut Wies Moens, dat het gedachtengoed uitdraagt van de nationalistische, katholieke dichter Moens (1898-1982), die tijdens beide Wereldoorlogen collaboreerde. Net als Moens richt de vereniging zich op de Nederlandse volksgemeenschap die verspreid leeft in België, Nederland en Frankrijk.

Zoals Moens en zijn aanhangers denken niet velen: de grootnederlandse beweging is marginaal en is vooral in extreemrechtse hoek te vinden. Het Wies Moens-instituut, bijvoorbeeld, telt slechts dertien leden. Grootnederlanders - of zoals ze zich voorzichtiger noemen, 'heelnederlanders', want dat klinkt minder imperialistisch - ijveren voor één 'Dietsland' waarin alle gebieden zijn verenigd waar vroeger Diets werd gesproken. Daar hoort Vlaanderen bij, Nederland (ook Rijks- of Noord-Nederland genoemd), met uitzondering van Friesland, Brussel, 'ontstolen' delen in Wallonië en 'le Westhouck' in Noordwest Frankrijk waar nog Nederlands wordt gesproken. Friesland is 'stamverwant' maar niet Diets.

Het heelnederlandse ideaal wortelt in de zestiende eeuw, toen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden door Karel V bijeengebracht werden om nog geen vijftig jaar later weer uiteen te vallen. De heelnederlandse gedachte kwam pas eind vorige eeuw echt van de grond, zegt prof.dr. Els Witte, historica en rector van de Vrije Universiteit Brussel. “Dan zie je een aansluiting tussen Vlaamse Orangisten en de Vlaamse beweging die voor de Nederlandse taal opkwam. Daar leefde dat idee van samengaan.” Vanaf eind negentiende eeuw tot de Eerste Wereldoorlog richtte de Vlaamse beweging zich vooral op taal en cultuur. “Sommigen gingen verder en zochten politieke toenadering bij Nederland. Maar er werd vooral gepleit voor culturele eenheid.” Zo beoogde de eerste echt grootnederlandse organisatie, het Algemeen Nederlands Verbond uit 1898, het promoten van Nederlandse taal en cultuur.

“In Nederland was maar minimaal begrip voor de Vlaamse strijd”, vervolgt Witte, “met uitzondering van bijvoorbeeld de historicus Geyl.” Volgens P.C.A. Geyl was de geschiedenis van de Lage Landen tragisch van karakter, omdat mensen die één taal spreken ook één natie moeten vormen. Maar hereniging bestempelde de historicus als onhaalbaar. Hij distantieerde zich bovendien van de extreemrechtse ideologie waarmee de grootnederlandse beweging in de jaren dertig verbonden raakte. Door de collaboratie raakten de Vlaamse beweging en de heelnederlandse gedachte na de Tweede Wereldoorlog in diskrediet. Maar, zegt professor Witte, vanaf de jaren vijftig organiseerden degenen die uit extreemrechtse beweging kwamen zich in partijen als de Vlaamsnationale Volksunie en later het Vlaams Blok. “In de oude generatie leeft die grootnederlandse traditie nog altijd. Maar die generatie boet hoe langer meer in aan invloed.”

In Nederland komt de grootnederlandse gedachte aanvankelijk terug in kleinere jeugdclubs, zoals de Heelnederlandse Jongeren, opgericht in 1953. In 1964 verschijnt in Eindhoven het grootnederlandse blad Europapost van frietbakker Gerard van der Ven. Medewerker was onder anderen Joop Glimmerveen, die in de jaren zeventig de Nederlandse Volksunie (NVU) oprichtte. De NVU was vooral in het begin heelnederlands en hield '21 juni-herdenkingen', ter herinnering aan het 'uiteenrukken' van de Nederlanden op 21 juni 1830. Momenteel is de Dietse gedachte zelfs binnen extreemrechts Nederland marginaal. De Centrumdemocraten tonen nauwelijks belangstelling voor Vlaanderen. Aanwezigheid op de IJzerbedevaart, de jaarlijkse bijeenkomst van de Vlaamse beweging, wordt afgeraden. CP'86, waarvan leden gisteren nog betrokken waren bij rellen op de IJzerweide, streeft volgens het beginselprogramma wel een 'Nederlandstalige natie' na. Op dezelfde Dietse lijn zitten marginale groeperingen als het Nederlands Blok en de extreemrechtse volksnationale beweging Voorpost, die zichzelf bestempelt als “wellicht de enige organisatie met een actieve werking zowel in Vlaanderen als in Rijks-Nederland”. Voorpost telt zo'n zevenhonderd leden van wie tweehonderdvijftig in Nederland. 'Dietsland enig Vaderland' was de titel van een themanummer dat de beweging vorig jaar uitgaf. Of, zoals het Nederlandse bestuurslid Marcel Rüter het verwoordt: “We zouden graag zien dat Vlaanderen weer onderdeel wordt van Nederland, zoals het was.”

De laatste jaren werd Vlaanderen veel autonomer. Maar Vlaamse politici willen die autonomie niet gebruiken voor aansluiting bij Nederland. “Ik denk wel dat de houding van die Vlamingen die ijveren voor een hechte samenwerking met Nederland wat zakelijker is geworden, wat minder idealiserend-romantisch: samenwerking moet, omdat het nuttig is voor beide partijen”, reageert de Vlaamse minister-president Luc van den Brande. “Maar zoals ik tegen Ruud Lubbers en Wim Kok stelde: de hereniging staat niet aan de agenda”.

Net als in de tweede helft van de negentiende eeuw lijkt samenwerking in 'Dietsland' vooral gericht op taal en cultuur. “Verenigingen als het Algemeen Nederlands Verbond en de Taalunie zijn numeriek en qua politieke macht veel belangrijker dan politieke grootnederlandse organisaties”, zegt professor Witte. Het streven naar culturele hereniging bleek ook gisteren op de IJzerbedevaart waar voorzitter Lionel Vandenberghe pleitte voor een zo groot mogelijke vorm van samenwerking op gebied van taal en cultuur. Politieke aansluiting zou hij “persoonlijk wel willen, maar dat zit er voorlopig niet in”.

Op subtiele wijze wordt de heelnederlandse gedachte al veertig jaar cultureel vormgegeven door de Orde van den Prince, een besloten genootschap opgericht door de Vlaming Guido van Gheluwe. De ruim drieduizend leden zijn vooraanstaande Vlamingen en Nederlanders - “de aristocratie van de geest” aldus Van Gheluwe. Niet de orde als geheel, maar de individuele leden moeten de Nederlandse taal en cultuur propageren en verdedigen. “Door het samenbrengen van Nederlanders en Vlamingen op een hoog niveau krijg je vanzelf een synthese, een spirituele toenadering”, verklaart Van Gheluwe. De naam van de orde verwijst naar Willem van Oranje: “Symbool van verdraagzaamheid en van de zeventien provinciën.”

Volgens professor E.H. Kossmann, auteur van het standaardwerk De geschiedenis der Lage Landen, is de grootnederlandse gedachte altijd vrij intellectualistisch geweest en “niet een emotie die ver is doorgedrongen.” Ondanks de recente politieke toenadering tussen Nederland en Vlaanderen, verwacht hij niet dat de twee zullen samensmelten tot één Nederlandstalige natie. “Het ligt niet in de loop van de geschiedenis om nieuwe staten te maken. Eerder om ze op te heffen.”

Laatste deel van de serie over de verhouding Nederland-Vlaanderen. Eerdere afleveringen verschenen op 1,8,15,22, 29 juli en op 5, 12 en 19 augustus.