Ziekteverzuim in onderwijs vorig jaar licht gedaald

LEIDEN, 24 AUG. Het ziekteverzuim in het onderwijs is in het schooljaar '94/'95 gedaald. Bij het onderwijzend personeel en de schoolleiding liep het verzuim terug van 7,6 naar 7,2 procent. Bij het ondersteunend personeel zoals concierges daalde het verzuim van 7,9 naar 7,7 procent.

Dit blijkt uit een steekproef van het Leidse onderzoeksinstituut Liswo op ruim 1.300 basisscholen, middelbare scholen en scholen voor middelbaar beroepsonderwijs.

De daling volgt op een sterke stijging van het ziekteverzuim in het schooljaar '93/'94. In het schooljaar '92/'93 was nog sprake van een verzuim van 6,8 procent onder het onderwijzend personeel.

De daling is het grootst onder het onderwijzend personeel in het basisonderwijs (van 8,0 naar 7,3 procent), gevolgd door het voortgezet onderwijs (van 7,6 naar 7,1 procent). De afname is in het basisonderwijs vooral toe te schrijven, aldus de onderzoekers, aan minder ziektegevallen en in het voortgezet onderwijs aan een kortere gemiddelde ziekteduur.

Anders dan in 1993/1994 deden zich in het onderzochte schooljaar niet twee zware griepepedemiën voor, aldus de onderzoekers.

Gemiddeld meldden docenten zich in een jaar 1,33 keer ziek. Bij het voortgezet onderwijs ligt dat hoger (1,63) dan bij het basisonderwijs, waar onderwijzers zich gemiddeld 1,15 keer afmelden.

Het ziekteverzuim hangt samen met verschillende persoons-, functie- en schoolkenmerken. Schoolleiders verzuimen minder vaak dan docenten, zij het dat op middelbare scholen het verzuim van schoolleiders steeg, terwijl docenten minder vaak ziek waren. Van de persoonskenmerken is de leeftijd de belangrijkste: het verzuimvolume stijgt met de jaren en was voor onderwijzend personeel van 50 jaar of ouder 10,6 procent. Hoewel ze minder vaak verzuimen dan gemiddeld, zijn ze vaker langdurig ziek.

Bezien naar richting zijn leerkrachten in het openbaar onderwijs het meest afwezig, in het protestants-christelijk onderwijs het minst.

Uit het onderzoek blijkt verder dat het basisonderwijs het meest voor vervangers zorgt. Daar wordt 78 procent van het ziekteverzuim opgevangen door een vervanger. In het voortgezet onderwijs is dat 68 procent.

In de vier grote steden liggen die percentages behoorlijk wat lager. Rooms-katholieke scholen zorgen het vaakst voor vervanging.