Winterjan

Het huisje waar ik woon ziet eruit als een kindertekening: een voordeur met een raampje ernaast, een raampje erboven en een puntdak. Het is het middelste van een rijtje van drie zulke huisjes, die elk omgeven zijn door een ruime tuin met een grasveldje voor en een moestuin achter.

Voor elk van die huisjes staat een pereboom. Op mooie lentedagen als de drie perebomen in bloei staan vervult het beeld van drie huisjes, drie groene grasveldjes, drie zuiver witte perebomen en een stralend blauwe lucht mij met intense tevredenheid. Vooral op koninginnedag, als het beeld wordt aangevuld met drie vlaggen die uit de drie bovenste raampjes zijn gestoken.

Jammer alleen dat de middelste pereboom, die van mij, staat te sterven. Ieder voorjaar opnieuw zijn er takken die niet meer uitlopen. Ze schemeren dreigend door de bloesem heen, hoewel de overige takken overvloedig bloeien, alsof het hun laatste keer is. Iedere zomer begint het blad al te vallen voor de peren rijpen. En ieder najaar weer zaag ik tegen beter weten in de dode takken uit, en dicht de wonden met bomenbalsem. Mijn buurman staat meestal hoofdschuddend toe te kijken.

“Je redt die boom heus niet door die dooie takken uit te zagen”, zegt hij als ik weer eens bezorgd de volgende amputaties sta te overwegen. Dat vrees ik ook, maar ik wil niet steeds die tekenen van verval hoeven te zien. “Weet je trouwens wat dit voor peer is?” Nee, dat weet ik niet, tot mijn eigen verbazing. Ik zou toch een peer waar ik zo bij betrokken ben bij naam moeten kennen. “Dit is een winterjan; ik bedoel, de peren die eraan komen zijn winterjannen. Ze zijn ontzettend hard, je kunt ze de hele winter bewaren, daarom heten ze zo.”

Nou, dat ze hard waren wist ik al. Ik had ze al eens proberen te stoven, maar ze moesten minstens twee uur in de pressure cooker voor ze eetbaar waren. Sinds ik dat weet, verzamel ik ze niet meer zo fanatiek. Daardoor liggen nu elke winter heel wat winterjannen in het gras te bewijzen hoe hard ze wel niet zijn. Het sneeuwt, het vriest, het dooit, het vriest weer, maar steeds liggen daar nog de winterjannen. Voor de hongerige vogels is het een uitkomst, hoewel het ze heel wat moeite kost om stukken uit die peren te pikken. Zelfs in het voorjaar krijg ik nog van die jannen tussen mijn grasmaaimachine. Was die boom maar zo hard....

“Je moet die schors eraf krabben, daar zit allemaal rottigheid onder, daar wordt die boom zo ziek van”, merkt mijn buurman op, en hij begint meteen met zijn zakmes de schors van de boom te krabben. Het lijkt mij onzin: elke boom heeft toch een schors, wat is daar mis mee? Toch begin ik wat schors van de boom te peuteren als mijn buurman weer naar zijn moestuin vertrokken is, en kijk wat eronder zit. Oorwurmen zie ik, en andere insectachtige diertjes, maar wat doen die voor kwaad? Het ziet er tamelijk onschuldig uit.

Behalve de twee dikke zwarte veters, kabels bijna, die aan het daglicht komen als ik vlak bij de grond een groot stuk schors lostrek. Die draden herken ik uit mijn tuinboek. Ze zijn van de honingzwam, en dat is, zegt mijn tuinboek 'een algemeen voorkomende parasiet die vele verliezen veroorzaakt. Er is geen boom of heester bekend die er immuun voor is.'

Nog dezelfde week staat de eigenaar van het plaatselijke tuincentrum de zwarte draden te monsteren. “Ik zou die boom maar omhakken”, zegt hij tegen mij, “hij is niet meer te redden. Bovendien, ik zou het maar vlug doen, anders gaan die andere peren er ook aan. Nee, ik zou maar geen nieuwe peer planten, dan krijgt U geheid hetzelfde probleem terug. Waarom neemt U geen gouden regen, dat is ook mooi!”

“Denkt U er nog eens over na, ik hoor het wel”, zegt hij tenslotte, en laat mij alleen achter met mijn stervende perelaar.

Wat moet ik doen? Hem om laten hakken? Dat breng ik niet op. Hem een natuurlijke dood gunnen? Dan lopen die andere peren gevaar. Dus toch maar omhakken..?

Ik kom niet tot een besluit. Voor mijn raam staat nog steeds mijn winterjan. Zijn dode takken steken onheilspellend uit boven zijn kruin, en zijn levende takken laten hun bladeren al vallen. Ik zucht.

Maar niemand die hem redden kan, mijn winterjan, mijn winterjan....