Vrienden zijn geen medicijn tegen alle kwalen

Ite Rümke, die in deze krant een aantal vriendschappen portretteerde, noemde in een korte afsluitende beschouwing de heilzame werking van vriendschap een “gezond-verstandbevinding”. Flip Schrameijer vindt dat er meer over te zeggen valt. Misschien heb mensen wel vrienden omdat ze zich toch al prettig voelen.

Onder de kop 'Wat mensen voelen' schrijft Rümke: “Kranten berichten dat mensen met vrienden beter presteren, en beter bestand zijn tegen stress en ziekten. Het is het soort gezond-verstandbevinding dat vroeger niet zou zijn afgedrukt” (21 mei).

Dit is een opstapje naar de vraag of vriendschappen de afgelopen decennia aan belang hebben gewonnen, iets dat volgens haar best mogelijk maar niet interessant is, want, schrijft ze: “Wat dan nog? Sociologen van het dagelijks leven mogen er proefschriften over volschrijven, ik wed dat het scala aan gevoelens dat vrienden voor elkaar kunnen voelen, door de eeuwen heen niet is veranderd.”

Als persoonlijke belijdenis valt er op haar beschouwing uiteraard niets aan te merken, want vriendschappelijke gevoelens zijn per definitie irrationeel en hun romantische aspiraties onvergankelijk: Rozen verwelken en schepen vergaan, maar onze vriendschap blijft eeuwig bestaan.

Maar Rümke verwart twee genres als ze de wijsheden van het poesie-album op de hele wereld van toepassing verklaart. Want dat doet ze met de bewering dat vriendschappelijke gevoelens eeuwenlang niet veranderen en dat mensen met vrienden er in alle opzichten beter voor staan dan anderen.

Ik vermoed dat het gevoel van vriendschap voor Rümke zó belangrijk is, dat het beschermd moet worden tegen kille wetenschappelijke analyse. Anders kan ik niet verklaren waarom ze zo badinerend schrijft over sociologen die dezelfde interesse hebben als zij zelf.

Ik beweer niet dat wetenschappers alles van dit onderwerp weten, maar het gaat veel te ver en het is ook een tikkeltje arrogant om te doen alsof zij niet verder zijn gekomen dan het naar kranten opsturen van 'gezond-verstandbevindingen'. Want daar komen de gegeven citaten eigenlijk op neer: iedereen wist het al, en zo niet dan is het ongeloofwaardig.

De lange-termijnverandering van vriendschappelijke gevoelens is het moeilijkste punt. Omdat alles in menselijke betrekkingen door de eeuwen heen verandert, berust de bewijslast dat iets daarin hetzelfde is gebleven eigenlijk bij degene die dat beweert.

Verder laten gevoelens zich bij uitstek moeilijk vaststellen. Daarom zijn we aangewezen op circumstantial evidence. Die is in ruime mate voorhanden in 'Het civilisatieproces', het hoofdwerk van de socioloog Norbert Elias, die veranderingen in de menselijke psychologie overtuigend heeft aangetoond.

In de agrarische samenleving waaruit de onze zich heeft ontwikkeld, waren de onderlinge betrekkingen radicaal anders dan nu. Wie vroeger boer was, combineerde allerlei rollen die toen niet of nauwelijks afzonderlijk bestonden, zoals die van werkgever, leraar, echtgenoot, boekhouder, groenteman en speculant op de graanmarkt.

Het proces van steeds verdergaande specialisatie in rollen en levenssferen, heeft verstrekkende gevolgen, want tegenwoordig moeten we ons meerdere keren per dag omschakelen naar de verwachtingen en gevoelens die bij een bepaalde rol horen. Dat kan alleen met een 'emotiehuishouding' die veel fijner is afgesteld dan destijds toen die eisen niet of veel minder golden.

Vanaf de middeleeuwen tot nu is de grote lijn dat ons gedrag steeds meer door zelfregulatie wordt bepaald en steeds minder door dwang van buitenaf. In intieme betrekkingen - maar daar niet alleen - heeft, in de woorden van De Swaan, een 'bevelshuishouding' plaatsgemaakt voor een 'onderhandelingshuishouding'.

Daar komt bij dat de psychologische kennis zich ook heeft ontwikkeld. Niet alleen dat psychologen en psychiaters meer weten over de achtergronden van ons gedrag, die kennis of een aftreksel daarvan wordt geleidelijk steeds meer gemeengoed. We begrijpen niet alleen meer van eigen en andermans drijfveren, ze zijn ook bespreekbaarder geworden. Zo herkennen veel mensen bij zichzelf en anderen ambivalente gevoelens of onbewuste motieven, en die kunnen ze beter met elkaar bespreken.

Niemand maakt me wijs dat deze, op langere termijn genomen spectaculaire veranderingen, het karakter van vriendschappen onberoerd hebben gelaten. We hebben nu 'gespecialiseerde' vriendschappelijke relaties met anderen die alleen een vriend zijn, zonder dat er ook sprake is van een gezags-, familie- of werkrelatie. We kennen onze - subtielere - gevoelens beter dan een paar eeuwen geleden en kunnen ze bovendien verwoorden. Daarom is Rümkes idee dat vriendschappelijke gevoelens door de eeuwen heen hetzelfde zijn gebleven uiterst onwaarschijnlijk. De werkelijkheid is ingewikkelder en ook veel interessanter.

Dat “mensen met vrienden beter presteren, en beter bestand zijn tegen stress en ziekten” lijkt een open deur, maar is dat niet. Zo slaan ziekten als kanker zonder aanzien des persoons toe - vrienden of geen vrienden. Bovendien: hoe zou dat mechanisme in elkaar moeten zitten? Het wijdverbreide idee dat ons immuun-systeem door een gevoel van welbevinden wordt versterkt en door stress en eenzaamheid wordt verzwakt, is misschien wel juist, maar bewezen is het niet. De betreffende tak van wetenschap (de psycho-immunologie) staat nog in de kinderschoenen en worstelt nog met tegenstrijdige onderzoeksuitkomsten. Maar gesteld dat dit zo is, dan nog is het de vraag of het welbevinden wel altijd door vrienden wordt bevorderd.

Ten eerste voelen mensen met vrienden zich inderdaad wat vaker gezond en prettig dan mensen zonder, maar dat komt lang niet altijd door die vrienden. Dit ligt namelijk vaak andersom: mensen die gezond en tevreden zijn, maken gemakkelijker vrienden en houden die ook langer dan ontevreden en ongezonde mensen. En bovendien zijn de geringere vriendschappen van zieke en ongelukkige mensen vaak ook nog eens minder bevredigend, omdat ze minder terug kunnen doen en niet zelden in een ongemakkelijke afhankelijkheid terechtkomen.

Dat brengt me op een tweede punt, namelijk dat vrienden behalve plezier en waardering ook nogal wat stress en ruzie kunnen opleveren. Wie geneigd is zich de problemen uit de omgeving aan te trekken (vooral vrouwen, zo blijkt uit onderzoek) is vaak beter af zonder die problematische vrienden.

In het algemeen kan men zeggen dat vrienden maken en daaraan plezier beleven, nogal wat eisen stelt aan de eigen opstelling en dat daarvoor ook vaardigheden nodig zijn die lang niet iedereen heeft. Het blijkt dat vooral mensen met een optimistische levensinstelling, en die het gevoel hebben dat ze hun eigen leven tot op grote hoogte zelf kunnen bepalen, het meeste profijt hebben van vriendschap. Maar daarmee kom je al gauw in een cirkelredenering: mensen die het goed gaat, hebben meer aan hun vrienden en daarom gaat het hen goed.

Het misverstand zit hem vooral in de gedachte dat objectieve omstandigheden, zoals het al dan niet hebben van vrienden, bepalend zouden zijn voor ons levensgeluk. Dat wordt mooi geïllustreerd door wat er bekend is uit onderzoek naar eenzaamheid. Veel mensen die geen vrienden hebben, of zelfs vergaand sociaal geïsoleerd zijn, voelen zich niet eenzaam. Omgekeerd zijn er ook velen eenzaam maar niet alleen. En voor het welbevinden is het veel belangrijker of men zich eenzaam voelt dan of men vrienden heeft.

Wie welbewust voor een leven zonder vrienden heeft gekozen, gaat het heel vaak goed. Zo is van Descartes, Newton, Locke, Pascal, Leibnitz, Spinoza, Kant, Schopenhauer, Nietzsche, Kierkegaard en Wittgenstein bekend dat ze geen gezin hebben gesticht of echte vrienden hebben gemaakt. Al deze mannen hebben volgens de Engelse psychiater Anthony Storr een groot deel van hun leven alleen geleefd en dat heeft de door Rümke genoemde prestaties blijkbaar niet in de weg gestaan. Dat het mensen dankzij vrienden op alle fronten beter zou gaan, is dan ook een grove simplificatie, die heel vaak niet op gaat.