Twee Indische steden

R.P.G.A. VOSKUIL e.a.: Bandoeng. Beeld van een stad

179 blz., geïll., Asia Maior 1996, ƒ 69,50

B. BROMMER e.a.: Semarang. Beeld van een stad

160 blz., geïll., Asia Maior 1995, ƒ 69,50 (nog te verkrijgen bij boekhandel Van Stockum, Den Haag, tel. 070-3656808)

Ooit schreef Hella Haasse een mooi verhaal over een Japanse herenkapper die in Nederlands-Indië spioneert voor de Keizerlijke Inlichtingendienst. In haar verhaal De lidah boeaja drijft meneer Yamada zijn kapperszaakje aan een stille, slordige straat. In werkelijkheid heette deze knippende zoon van Nippon meneer Kawata en was hij gevestigd aan de Groote Postweg in Bandoeng, één van de belangrijkste straten van die plaats. Dat leert een vergelijking tussen de verhalenbundel van Hella Haasse Een handvol achtergrond en het recent verschenen Bandoeng. Beeld van een stad. Dat is het vijfde deel in de Indische-Stedenreeks. Daarvóór was de gemeente Semarang aan de beurt. Eerder verschenen monografieën over Batavia en Soerabaja en werd een deel uitgebracht over luchtfotografie.

De delen over Bandung en Semarang zijn chronologisch ingedeeld, geordend in vier periodes: pre-koloniale ontstaansgeschiedenis van de stad, ontwikkelingen onder Nederlands bewind, gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de onafhankelijkheidsstrijd, en veranderingen onder Indonesisch bestuur. De meeste (schitterende) foto's, waarvan vele voor het eerst gepubliceerd, staan in een apart deel achter in het boek. Ze zijn ingedeeld naar wijk zodat je een goede indruk krijgt van de sfeer per stadsdeel en van de aanblik van afzonderlijke straten; oude stadskaarten wijzen de weg. De illustraties zijn afkomstig uit de collecties van grote instellingen zoals het Koninklijk Instituut voor de Tropen en uit verzamelingen van particulieren. Doordat oude en recente foto's zijn opgenomen, valt het historische straatbeeld te vergelijken met het huidige. Dan blijkt vooral hoe lélijk het moderne Indonesië is, vol beton en neon.

Semarang ligt aan de noordkust van Midden-Java en is een handelshaven. In de VOC-tijd vertrok uit die stad elk jaar een afgezant naar de sultan van Soerakarta. De plaats was destijds de toegangspoort tot de Vorstenlanden, de weinig bekende binnenlanden van Java die onder feodaal bestuur stonden. De producten die daar vandaan kwamen, werden in Semarang opgeslagen en verscheept. Maar pas nadat de VOC failliet was gegaan en nadat het handelsmonopolie van de Nederlandse staat in Indië in 1870 was afgeschaft, kwam de stad tot bloei. Vooral 'in de suiker' viel goud te verdienen.

Regelmatig treden in het boek illustere personen op. H.F. Tillema bijvoorbeeld is bekend door zijn foto's die de erbarmelijke leefomstandigheden in inlandse volkswijken verbeeldden. Ze contrasteren scherp met de gemoedelijke sepiakleurige kiekjes van Tempo Doeloe. Mede door de inspanningen van Tillema verrezen begin jaren twintig in Semarang een paar 'gemeentekampongs', buurten met sociale woningbouw voor inlanders. De architect Berlage prees ze als “nieuwe volkswijken (...) met de beste in het moederland te vergelijken”. Een foto van kampong Kintalan toont inderdaad een keurige Hollandse rijtjeshuizenstraat onder tropisch geboomte. Tijdens de Japanse bezetting werden er Nederlanders in geïnterneerd. De koloniale architectuur werd na de soevereiniteitsoverdracht verwaarloosd, maar inmiddels begint Semarang haar bouwkundige erfenis opnieuw te waarderen. De gemeente maakt plannen om de oude Nederlandse binnenstad te beschermen en te restaureren, in de hoop er veel toeristen mee te trekken.

Bandung (vroeger Bandoeng) ligt midden in het bergachtige Javaanse plantagegebied, minder dan tweehonderd kilometer verwijderd van Jakarta. Er wordt vooral koffie en thee verbouwd. Veel cultures stammen uit de VOC-tijd. Bandoeng. Beeld van een stad geeft een ontluisterende indruk van de uitbuiting op de plantages. Rond 1785 kreeg ieder Javaans gezinshoofd bijvoorbeeld de verplichting opgelegd tweehonderd koffiestruiken aan te planten. Al eerder was hem de verzorging van vierhonderd andere planten opgedragen. Eén gezin moest dus zeshonderd koffiestruiken onderhouden. Dat liet niet veel tijd voor het verbouwen van rijst en andere voedselgewassen; op Java heersten daarom regelmatig hongersnoden.

Toen het handelsmonopolie van de Nederlandse staat in Indië verviel, kwamen veel particuliere planters naar het vruchtbare gebied rond Bandoeng. Ook Hella Haasses Heren van de thee zochten er hun fortuin. De door haar geromantiseerde plantersfamilies Kerkhoven, Holle en Van der Hucht brachten in het plantagestelsel verbeteringen aan. Voor het inlandse personeel lieten zij op hun ondernemingen scholen en moskeeën bouwen en ook de verpleeginrichting voor lepralijders 'Pro Leproos' stond onder hun hoede. Maar in het Preanger hoogland werden niet alleen koffie en thee verbouwd. Zuidafrikaner boeren, uitgeweken voor de Boerenoorlog, voorzagen de inwoners van Bandoeng van verse Europese groenten en koemelk.

Bandoeng stond bekend als de meest Europese stad van Indië, als een prettige wóónplaats. Dat werd bevorderd door het koele, gezonde klimaat. In een brochure werft de gemeente potentiële inwoners met de slogan 'Wilt u uw leven verlengen? Vestigt u in Bandoeng. De Indische jaren tellen hier niet dubbel!' De mondaine sfeer komt in het boek goed tot zijn recht. Niet voor niets werd Bandoeng 'het Parijs van Indië' genoemd. Eén van de prenten toont de patissier en glacier Maison Bogerijen, het 88-koppige personeel ervoor verzameld.

De gemeente beijverde zich de nieuwe hoofdstad van Indië te worden, door haar geïsoleerde ligging op de hoogvlakte bood zij tevens strategische militaire voordelen. In 1918 werd besloten de regeringszetel van Batavia naar Bandoeng te verplaatsen, maar pas in 1942 gebeurde dat, vlak voor de capitulatie voor Japan. Toen was het te laat. Het KNIL kon de Japanse invasie onmogelijk weerstaan. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd was Bandoeng grotendeels in handen van het Indonesische leger. Alleen Bandoeng-Noord vormde daarop een uitzondering, als beschermde enclave voor Nederlandse inwoners. Voornamelijk in dit deel van de stad is nog iets te herkennen van de koloniale architectuur.

De andere stadsdelen werden grotendeels door brand verwoest, toen het Indonesische leger zich onder dwang van een ultimatum moest terugtrekken.

De boeken over Bandung en Semarang verschaffen een historische rondtocht. Het zijn bijzondere naslagwerken die het beeld aanvullen dat in de literatuur en in geschiedwerken wordt geschetst.