'Successen in Atlanta waren niet eenmalig'

Nederland evenaarde in Atlanta met negentien stuks het record-aantal olympische medailles. Wat is de oorzaak van dit succes? Kan het beter? En wat heeft het gekost?

AMSTERDAM, 24 AUG. Zoals André Bolhuis er was voor de sporters, was Hans Jorritsma er voor de coaches. De voormalige hockeycoach begeleidde de laatste twee jaar voor de Spelen in alle sporten de voorbereiding. Hij praatte, hij coördineerde, hij dacht mee over trainingen. Hij mocht het extra geld besteden dat de Lucky 10 en de Krasloten hadden binnengebracht.

“We hebben in Nederland maar een beperkt aantal profsporten”, vertelt Jorritsma drie weken na de Spelen. “Voetbal, tennis, wielrennen en voor een deel het volleybal. De meeste sporters zijn pure amateurs. Daar is de winst behaald. Omdat er voor Atlanta meer geld beschikbaar was, konden de amateurs meer tijd vrijmaken, meer tijd investeren.

“Sporters hebben de ruimte gekregen zich in alle rust voor te bereiden. In het verleden begon een Nederlandse ploeg een paar maanden voor de Spelen aan een inhaalrace; nog even hard trainen. Dit keer hadden de coaches ruimte om te werken. Ze konden zich gericht voorbereiden. Er waren bijvoorbeeld nauwelijks blessures. Drie op een ploeg van bijna 250 atleten.”

De gouden medailles in het volleybal, hockey en roeien waren een gepland succes. Het NOC*NSF heeft veel geld geïnvesteerd in de Holland Acht, het volleybalteam en de hockeyelftal, het waren projectmatig aangepakte speerpunten in het beleid van de sportkoepel.

“Die drie teams bestonden uit een kern van sporters met jarenlange ervaring, generaties die eind jaren tachtig al hun eerste successen behaalden en al aan meerdere Spelen hadden meegedaan. Toppers met ervaring, die nog niet over the hill waren. Ploegen met routine en met jongens die op sleeptouw werden genomen en in het gareel werden gehouden. Zo'n combinatie heb je nodig om op dit soort mega-evenementen te kunnen scoren. Die teams hadden al de ambitie. Door het geld was er een professionele organisatie mogelijk. Het volleybalteam was ons daarin al vooruit.”

Nederland haalde verder medailles in sporten als paardensport, wielrennen en judo; sporten waarin Nederland traditioneel sterk is. Voor een nieuw record aantal medailles in Sydney (2000) lonken atletiek en zwemmen. In Atlanta werden in deze sporten 271 gouden medailles verdeeld: 44 keer atletiek en 32 keer zwemmen. Nederland won twee maal brons bij het zwemmen.

“We houden het perspectief zo breed mogelijk. We drukken geen sporten de bocht uit. Maar de investeringen moeten wel prestaties opleveren. Bij sommige bonden, zoals badminton, tafeltennis, waterpolo, honkbal, softbal, hebben de investeringen zich niet terugbetaald. De honkballers wonnen van Italië en zijn wederom de beste van Europa, maar ze horen niet bij de wereldtop.

“In de atletiek moet Nederland zich hooguit op een aantal atletieknummers concentreren. Op de 100 en 200 meter zijn wij kansloos. En met zwemmen zijn we op de goede weg. In Barcelona waren het drie finaleplaatsen, dit keer meer dan tien. Bijna alle zwemmers verbeterden hun persoonlijke tijden.”

Jorritsma verwacht dat het succes van Atlanta te herhalen is. “Als we deze lijn doorzetten, kunnen we dit succes continueren. We kunnen niet verwachten dat goud te herhalen is bij de Holland Acht, het hockey en het volleybal. Er nemen unieke generaties afscheid. Dan is vier jaar een korte tijd.”

Hij heeft zich voorgenomen nog strenger te selecteren bij het toekennen van subsidies. “De begroting moet nog meer worden toegespitst op echte topsport. Dat hebben we nog gemist in de afgelopen anderhalf jaar. Nog meer goede medische begeleiding. Video-analyses zijn een middel om zo objectief mogelijke informatie te krijgen.”

Het is geen toeval dat drie van de vier gouden medailles werden behaald in een teamsport. “Een atletiekmedaille winnen is zo verschrikkelijk moeilijk. Er doen 1.200 atleten mee aan het atletiektoernooi. Dat is tien procent van het olympisch dorp. We hebben een goede traditie met teamsporten. Nederland is ook een land voor teamsport. We hebben een bloeiend verenigingsleven. Nederland is klein, dat heeft in dit geval voordelen. Je kent elkaar allemaal, je ziet elkaar wekelijks. Je speelt in de competitie tegen elkaar. Je kan iedereen makkelijk bij elkaar roepen voor een bespreking of training. In Amerika moeten ze de sporters vragen of ze allemaal op dezelfde universiteit willen studeren.”

Daar tegenover staat dat zijn grootste bron van zorg juist de individuele sport was. “We moeten in staat zijn meer succes te behalen in individuele sporten. Dat vereist een omslag. De structuren in sportbonden moeten veranderen om individuele sporters de kans te geven door te groeien naar het allerhoogste. We moeten echt helemaal opnieuw beginnen. In individuele sporten past geen bondscoach, dat moeten we loslaten. Een sporter wil de vrijheid, die wil zijn eigen privé-coach. Het is natuurlijk niet voor niets een individuele sporter. Die wil in een één-op-één-situatie werken.

“Ik merkte het bij de judobond en bij andere bonden. Er zit vaak afgunst, jaloezie en wrijving. Zulke conflicten kosten veel energie. We kunnen een voorbeeld nemen aan Stanley Franker van de tennisbond. Hij is een manager, het coachen laat hij over aan de privé-coaches.”

Dat alleen mannen goud wonnen, noemt Jorritsma toeval. “Als judoka Angelique Seriese op de eerste dag had gewonnen, was dit verhaal niet opgegaan. Een van de hoogtepunten was het vrouwenvolleybalteam. Dat heeft fantastisch gepresteerd. Met een jonge ploeg vijfde worden. Zo'n team moet alle steun krijgen die er in huis is. Het kan voor Sydney de rol krijgen die dit keer de Holland Acht had.”