Roep om generatiewisseling zet kwaad bloed in CDA

De Tweede-Kamerfractie van het CDA telt veel vijftigers. De 'jonge honden' van de partij willen een doorstroming en dat leidt tot discussie.

DEN HAAG, 24 AUG. Bij de eerste vergadering na het zomerreces, eergisteren, van de CDA-fractie in de Tweede Kamer vormden weliswaar de komende algemene politieke beschouwingen de hoofdschotel, maar er zal ook een hartig woord zijn gewisseld over het thema van de periodieke doorstroming binnen de fractie. De afgelopen weken gaven fractiejongeren W. van de Camp (43) en A. Bijleveld (34) een boodschap af aan de partij: de personele samenstelling van de fractie dient bij de volgende verkiezingen drastisch te worden gewijzigd.

Van de Camp, lid van het dagelijks bestuur van de CDA-fractie, kwalificeerde de huidige Kamerfractie als “gemiddeld oud”. Er zitten veel mensen van tussen de vijftig en zestig jaar. Volgens Van de Camp (43) moeten er op de volgende kandidatenlijst meer mensen van onder de veertig. Op dit moment is Bijleveld het enige CDA-Kamerlid in die leeftijdscategorie. Zij verklaarde zich pas ook voorstander van de “doorstroming”.

Even afgezien van het feit dat niet de fractie, maar het partijbestuur beschikt over de kandidatenlijst, zijn de uitlatingen van de “jonge honden” goed voor een ferme interne discussie in de CDA-gelederen. Speciaal ook omdat fractievoorzitter E. Heerma en partijvoorzitter H. Helgers deze maand een eerste ronde functionerings- en oriënteringsgesprekken met de fractieleden afronden. Dat zorgt voor groeiende nervositeit over het al dan niet voortzetten van de carrière in de landspolitiek, hoewel allerwege wordt verwacht dat de valbijl pas volgend jaar wordt gehanteerd, voor de Kamerverkiezingen.

Fractielid A. Lansink, sinds 1977 in de Kamer, was bij terugkeer van zijn vakantie op zijn zachtst gezegd niet geamuseerd over de uitlatingen van Van de Camp. Daarbij wreef een artikel in Elsevier over “stijgers en dalers aan het Binnenhof” extra zout in de wonden: Van de Camp en Bijleveld werden beiden genoemd als “stijgers”. De naam van Lansink, die te boek staat als een allrounder, werd in het artikel niet eens genoemd. Hij vindt het “belachelijk” dat nu een voorstelling van zaken wordt gegeven waardoor het lijkt alsof de kiezers op de fractie zijn uitgekeken door het optreden van de ervaren leden van de fractie. “Ik vind het tamelijk onfatsoenlijk om zo in het openbaar over oudgedienden te spreken”, zegt hij. “Alsof het niet deugt als je hier wat langer rondloopt.” Bovendien vindt hij de eenzijdige aandacht voor jongeren onjuist: een fractie moet een juiste mix van meer ervaren en onervaren leden bezitten. “Ik wil bovendien nog wel eens zien of je door rigoreuze verjonging de politieke lijn geen schade doet.”

Mediaspecialist M. Beinema, met zijn ruim twintig jaar Kamerervaring niet alleen de nestor van de fractie maar ook van de Kamer, plaatst ook stevige kanttekeningen bij de roep om verjonging, net als V. van den Burg en R. van der Linden, die in 1979 en in 1977 in de Kamer zitting namen. De veteranen verzetten zich niet zozeer tegen vernieuwing van de fractie. Dat de gebruikelijke doorstroming bij verkiezingen in 1994 niet heeft plaatsgehad, is een feit dat ook zij niet loochenen. Door het verlies van twintig zetels kwam na de vorige verkiezingen slechts een handjevol nieuwelingen voor het CDA in de Kamer. Vuistregel in het CDA is dat bij verkiezingen de fractie voor een derde wordt vernieuwd. Dat werd bij lange na niet gehaald.

Het is de onuitgesproken roep om een generatiewisseling die kwaad bloed zet bij de ouderen in de fractie. Beinema, Van der Burg, Van der Linden en Lansink benadrukken wel het belang van “spreiding over leeftijdsgroepen” als het om de samenstelling van de fractie gaat. Maar met name Beinema wil het belang daarvan als het gaat om inhoudelijke standpuntbepalingen wel relativeren. “Er bestaat geen evenredigheid tussen leeftijd en opvattingen”, zegt het Zeeuwse Kamerlid. “Van de Camp heeft bijvoorbeeld veel straffere opvattingen over het drugsbeleid dan ik. De mijne komen meer overeen met die van het CDJA, onze jongerenvereniging. Ik wil maar zeggen: het is niet zo dat je per se jongeren moet selecteren omdat hun standpunten zouden aansluiten bij die van andere jongeren in de samenleving.”

Van der Burg (51) is het op een ingewikkelde manier “eens” met Van de Camp: “Ik voel me een van de jongste leden van de fractie.” Hij stelt zich dan ook beschikbaar voor een volgende termijn. Vooral omdat de fractie naar zijn mening niet zonder ervaren Kamerleden kan. De opmerkingen van fractiegenoten als Van de Camp en Bijleveld krijgen extra lading door de bestaande richtlijn in het CDA dat Kamerleden na twaalf jaar plaats zouden moeten maken. Het verzet tegen die regel, ingevoerd door de vorige partijvoorzitter W. van Velzen, binnen de fractie is groot.

“Die twaalfjaartermijn mag geen dogma zijn,” zegt Beinema, die overigens met zijn langjarig verblijf in 's lands vergaderzaal zelf heeft bewezen dat de richtlijn flexibel wordt toegepast. Beinema vindt dat dit soort regels gemakzucht in de hand kunnen werken bij het partijbestuur. “De ervaring leert dat mensen in de Kamer komen die misschien wel zeer begaafd zijn, maar die hier niet blijken te functioneren. Die moet je dus na vier of acht jaar lozen. Anderen kun je langer gebruiken dan twaalf jaar. Het partijbestuur moet gewoon de moed hebben om, afgaande op de rapportage van de fractievoorzitter, die beslissingen te nemen. Het is een soort gemakzucht je bij de selectie van Kamerleden te verschuilen achter die regel van drie maal vier jaar.” Beinema (62) zelf heeft overigens al besloten zich niet meer kandidaat te stellen.

Van den Burg en Van der Linden benadrukken het belang van binding met de regio, de Kamerkring, in plaats van leeftijd. Van der Burg: “Vooral bij een beweging als de onze, een typische volkspartij, is het nodig dat de politici voeling hebben met de mensen uit hun eigen regio.” Volgens hem moet niet onderschat worden hoe lang het duurt voordat een netwerk in de regio is opgebouwd. “Maar die wortels zijn broodnodig.” Van der Burg, die zelf uitkomt voor de regio Utrecht, keurt het af dat een aantal van zijn collega's regio's vertegenwoordigen waar zij zelf niet wonen. “Je hoort te wonen in de regio die je vertegenwoordigt”, zegt hij. “Ik zou de partij adviseren met name in Limburg en Brabant op zoek te gaan naar herkenbare kandidaten.”

Van der Linden houdt spreekuren in 'zijn' Limburg, om direct aanspreekbaar te zijn voor de kiezers. “Vandaag had ik nog een oudere die zich er terecht over beklaagde dat hij werd aangeslagen in de zwaarste categorie voor de waterschapsheffing, terwijl oudere mensen vaak juist heel zuinig zijn. Zulke onderwerpen kun je dan agenderen voor fractiecommissies. Die contacten vertalen zich ook naar de eigen politieke stellingnames.”

Net als Lansink wijst Van der Linden erop dat in de parlementen in de buurlanden ervaring juist wordt beschouwd als een positieve factor. Van der Linden, die vice-voorzitter is van de Raad van Europa: “Nederland is geen eiland. Wil je in Europa meedoen, dan telt ervaring mee.”

Doorstroming binnen de fractie na verkiezingen is volgens hem een natuurlijk gegeven, “maar als het gezien wordt als de oplossing van een probleem is dat verkeerd”. De problemen zitten volgens hem meer bij de inhoudelijke profilering van de fractie. Wat dat betreft is hij niet somber over de oppositierol die het CDA nu speelt. “Dat biedt ons de kans om te ontkomen aan compromissen die grijs of grauw zijn. Op thema's als de familiepolitiek en het huurbeleid kunnen wij nu ons eigen geluid laten horen en weer geloofwaardig en herkenbaar worden voor de achterban.” Van der Linden denkt er niet aan om op te houden na deze periode: “Ik voel mij niet oud. Het werk boeit mij nog steeds en de relatie met de kiezer is nog niet dof.”