Pret (3)

Zonder ophef publiceert deze krant in de zomer van 1996 een reeks artikelen die misschien meer inzicht in de staat van de volksziel geven dan de stembusresultaten, uitslagen van onderzoeken naar de publieke opinie en de namen van de sterren op de top tien. Ik bedoel de serie van Wim Wennekes in het Economie katern over de pretparken in Nederland.

Eerst had je Houtman en De Keyzer en de oprichters van de VOC, in deze eeuw waren het Albert Plesman, Sir Henry Deterding en Anton Philips, en in ons fin de siècle dragen Henk Bemboom, drs. Pier Holtrop, Hugo R.J. graaf van Zuylen van Nijevelt en Hans A. van den Berg (respectievelijk van Ponypark Slagharen, de Efteling, Duinrell en Avonturenpark Hellendoorn) de fakkel verder.

Ik bedoel dat niet ironisch. Zoals de Gouden Eeuw vrijwel alles te danken heeft aan de specerijen, en Nederland zijn internationale positie in de Twintigste heeft kunnen handhaven door de luchtvaart, de olie en de gloeilamp, zo lopen we nu vooraan in de pret. Walt Disney wordt algemeen beschouwd als de eerste pretmagnaat, maar uit de artikelen van Wim Wennekes wordt duidelijk dat de genoemde landgenoten in veel opzichten met de Amerikaan op één lijn mogen worden geplaatst.

Wat is pret? Een groot deel van deze eeuw is het de gewoonte geweest dat kinderen die jarig waren een 'partijtje' hielden. Ze kwamen bij elkaar, kregen toeters en papieren mutsen en dan begon het koekhappen en het zaklopen en daarna werd er limonade gedronken en een taartje gegeten. Een enkel kind had er niet veel zin in, werd met minachting behandeld, aangemoedigd, tot de orde geroepen, bleek voor de pret onontvankelijk en ging huilen. Voor mooie zomerse zondagen had je de speeltuinen met wip en schommel. Daar zag je dezelfde kinderen misselijk worden. Mijn moeder werd door haar ouders meegenomen naar de Bedriegertjes in Rosendaal (die, hoor ik, onlangs zijn gerestaureerd). De generatie die in de jaren zestig is geboren, wordt o.a. gekenmerkt door haar levendige herinneringen aan de Efteling, het roestige ijzerdraad waarover de Fakir op zijn Vliegend Tapijt van de ene minaret naar de andere vloog terwijl onder hem de tulpenvelden begonnen te bloeien. De Efteling is ontworpen door Anton Pieck. Het artikel van Wennekes over dit Nederlandse instituut bevat interessante bijzonderheden.

Maar daarmee is het vraagstuk van de pret nog niet opgelost. Er zijn mensen die pret voor tien hebben, mensen met pretogen, mensen die pret maken en mensen die pret hebben. Afgeleid van pret is prettig. Je hebt prettige mensen; maar wie in je omgeving zou je ogenblikkelijk een prettig mens noemen en waarom? En is dat een compliment? Pret is een niemandslandbegrip, terrain vague van de geest. Als je pret maakt wil dat nog niet zeggen dat je pret hebt, en dit laatste is weer iets anders dan vrolijk of blij of zelfs gelukkig zijn. Pret hoort tot een andere orde. Het toppunt van pret hebben is dus niet hetzelfde als gelukkig zijn. Kan iemand die niet bepaald gelukkig is wel pret hebben? En is het aannemelijk dat iemand die gelukkig is, meer tot pret bereid zal zijn? Of denkt die juist: alle pret kan me gestolen worden. De vragen stellen is ze beantwoorden. Pret, om het nog ingewikkelder te maken, is niet het tegendeel van vrolijk, blij of gelukkig, maar wel gaapt tussen pret en de andere gesteldheden een filosofische, misschien een existentiële afgrond. Pret - ik gebruik de definitie van Martin Heidegger - is die partielle Versöhnung mit der grauen Alltäglichkeit des lebendigen Daseins. Het oude zaklopen en koekhappen vallen daaronder. Na het partijtje wordt het kind weer in de gehoorzaamheid 'geworpen'. (Rejeté dans l'obéissance, Maurice Merleau-Ponty). Maar een zakloopbaan in een modern pretpark? Ik denk dat je er geen kind op krijgt.

Zo komen we vanzelf terug op de postmoderne megapret en gigapret die in deze artikelenreeks worden beschreven, en dan vooral hoe deze vormen van pret worden opgewekt. We kunnen de pretparken wel beschouwen als geweldige pretgeneratoren met een meetbare productie. Zo denken de directies en de uitvinders van de machines er in wezen ook over. Een technicus die een nieuwe boorkop ontwerpt om een dieper liggende olielaag te bereiken, doet in wezen niets anders dan iemand die een nieuwe pretmachine creëert. Ik noem de 'Rioolrat', de ondergrondse achtbaan van het Avonturenpark Hellendoorn. Er zijn dus, om de beeldspraak ten einde te voeren, in het menselijk bewustzijn, kennelijk 'pretlagen' die kunnen worden aangeboord.

Daar is de industrie nu mee bezig. Het is een goldrush. Let eens goed op. Iedereen is bezig met pret. De mensen die in de televisiereclame optreden hebben bijna allemaal op een of andere manier pret. De dieren ook. In natuurfilms krijgen de konijnen en de cameleons teksten toegeschreven waaruit blijkt dat ze pret hebben. Nog geen zeven jaar na het einde van de Koude Oorlog heeft pret de wereld veroverd, zonder slag of stoot. Het is niet meer de vraag op welke manier dat heeft kunnen gebeuren, maar hoe dat komt, en waarom, waardoor het einde nog niet in zicht is. (wordt vervolgd)