Palestijnse kinderen leren in zomerkamp joden niet meer te haten

EL-BIREH, 24 AUG. “Jeruzalem is Arabisch”, klinkt het uit bijna 700 kelen. Op het schoolplein van El-Bireh, een dorp vlakbij Ramallah op de Westelijke Jordaanoever, werkt de Palestijnse jeugd met zichtbare gretigheid aan haar nationale bewustzijn. Piepkleintjes en pubers in legergroene broeken en hagelwitte T-shirts met opdruk stappen gedisciplineerd een kwartslag opzij als de kolonel vanaf een verhoogde galerij brult: “Rechts!!!” Jonge soldaten met geweren op hun rug zien erop toe dat zijn bevelen subiet worden uitgevoerd.

De 66 zomerkampen die het Palestijnse Gezag her en der op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook organiseert, hebben op het eerste oog veel weg van de militaire dril-kampen die de PLO vroeger voor Palestijnse vluchtelingenkinderen in Libanon, Syrië en andere landen hield. Geen wonder. De organisatoren van toen hebben ook nu de supervisie. Toch is er een groot verschil. Vroeger probeerden ze jonge Palestijnen moreel en discipline bij te brengen om de revolutie met ze te kunnen winnen. Nu hameren ze op dezelfde eigenschappen om waardige burgers van 'Palestina' van ze te maken - en aanhangers van het vredesproces.

“We leerden hun vroeger hoe ze de joden moesten haten”, zegt kolonel Saeb Nasar van Yasser Arafats Directoraat van Nationale en Politieke Sturing. “En nu hoe ze moeten ophouden de joden te haten.”

En zo is het. Want hoe militant “Jeruzalem is Arabisch!” ook moge klinken, tijdens een pauze tussen twee excercities legt Sanabil (14) uit het vluchtelingenkamp Kalandia uit wat die leus betekent: “We kunnen Jeruzalem, Oost-Jeruzalem bedoel ik, in onze macht krijgen als we met de joden praten. Niet als we met ze vechten. Het gaat stapje voor stapje. We krijgen niet in één dag wat we willen. We moeten wachten. Geduld hebben.” Op grond van wat haar de afgelopen weken aan 'politieke sturing' is verstrekt, schat Sanabil dat de Palestijnen Oost-Jeruzalem in hun bezit kunnen hebben als ze ongeveer 40 is. Over 26 jaar dus.

Ze vond het kamp in het begin stierlijk vervelend. De kinderen stonden de eerste dagen vooral in de zon de passen te imiteren die de soldaten hun voordeden. Toen kwamen het marcheren en het oefenen van het volkslied 'Biladi' (Mijn Land). En de eindeloze lessen over de Palestijnse geschiedenis. Zonde van de zomervakantie, vond ze, en ze kende ook nog niemand.

Maar daarna werd het leuk. Toen konden ze aerobics gaan doen of karate, kregen ze brandweer- en eerste-hulp-les. Verder kwamen er docenten van de universiteit langs die nuttige dingen vertelden over de gevaren van drugs en sigaretten, en over de geschiedenis van Israel. “Ik ben helemaal veranderd door de dingen die we over de joden leerden”, zegt ze opgewonden. “Bijvoorbeeld dat ze in de Tweede Wereldoorlog in kampen zijn vermoord. Heel erg. Dat wist ik niet.”

“Goh, jij bent dom”, roept Zeed, een klein jochie met een groene klep op. “Jij hebt zeker niet op school gezeten!” “Wij hebben de intifadah meegemaakt”, snibt Sanabil terug, “en toen waren de scholen hier dicht. Maar dat weet jij natuurlijk niet, want jij zat lekker in Canada met je familie.” De vader van Zeed, een elektromonteur, kwam deze zomer naar zijn geboortedorp Ramallah om een baan te zoeken. Maar hij vond niets. Over twee weken gaan Zeed en zijn vader dus terug naar Canada.

“Ik vind het niet erg om terug te gaan”, zegt hij. “Het is hier leuk, maar Canada is leuker.” “Waarom” roept Sanabil. “Jij bent zeker geen echte Palestijn. Hee jongens, Zeed vindt Canada leuker dan Palestina!” Dat slaat niet echt aan. Zeed is namelijk niet de enige deelnemer aan het zomerkamp die deze weken toevallig op de Westelijke Jordaanoever op vakantie is. Om hem heen staan allemaal tieners uit het buitenland die door hun ouders met opzet een poosje naar Arafats Palestijnse seizoensvariant van de Komsomol gestuurd zijn. Sommige kinderen spreken, zoals Zeed, beter Engels dan Arabisch. Of Spaans, of Duits. Eentje zegt: “Mijn vader is altijd bang dat ik niet Palestijns genoeg ben.” Misschien is dat wel zo, want het dagelijkse ontbijt van pitabrood, geitekaas en tomaten is hem een gruwel. Toch vindt hij het kamp wel cool. Je mag er namelijk met echte geweren trainen. Die zijn ongeladen weliswaar, maar dat hoeven zijn Amerikaanse klasgenoten straks niet te weten.

Hoewel Zeed als relatieve buitenstaander in goed gezelschap is, zit het hem niet lekker dat hij ervan wordt beschuldigd dat hij geen 'echte Palestijn' is. Hij denkt diep na, en zegt dan: “Als alle Palestijnen uit Canada zouden terugkomen, dan is er niemand meer over die in Canada een goed woordje voor Palestina doet.”

Sanabil doet haar mond alweer open voor een venijnige opmerking, maar een oudere jongen komt sussend tussenbeide: “Stil! Vroeger maakten we altijd onderling ruzie. Nu leven we in een democratisch land. Iedereen mag zeggen wat hij wil. Vroeger had je Hamas en Fatah, en al die andere partijen. Dat is niet meer nodig. Dat is voorbij. Nu is de hele natie één persoon.” Het lijkt erop dat dit zomerkamp, althans in el-Bireh, al ongeveer heeft opgeleverd wat het Directoraat ervan verwachtte. “De bedoeling is”, liet het van tevoren namelijk weten, “dat de kinderen leren functioneren in groepsverband. Dat ze zich leren thuisvoelen in de natie.” Kolonel Saeb Nasar, de toezichthouder op dit staaltje nationbuilding, loopt tevreden grijnzend door de kinderschaar.

Hij pakt een snoeppapiertje van het plein dat overigens - in zwaar contrast tot de viezigheid buiten op straat - dankzij enige dril-lessen onder de leus 'Houd Palestina schoon' vrijwel smetteloos is gebleven.

Dan komt de politiefanfare van El-Bireh de poort binnen, met enige lokale hoogwaardigheidsbekleders in zijn kielzog. De kinderen gaan meteen in het gelid staan. Voor de kolonel op de galerij is geklommen om de richtlijnen te geven, beginnen zij al te oefenen. Ze salueren de vlag, en roepen “Allah!” en “Jeruzalem is Arabisch!” Even later marcheren ze achter de fanfare aan het dorre voetbalveld op om voor de eretribune vol onderministers, militairen en leden van het Directoraat hun nieuw-verworven karate- en zangkunsten ten uitvoer te brengen. Kolonel Saeb Nasar wist met een geparfumeerd doekje het zweet van zijn voorhoofd, en zegt vertederd: “Kijk nou, het is toch net één grote familie.”