Onderwijsmythen

DE SCHOOLSTRIJD is in 1917 geëindigd met de onderwijspacificatie, zo leren de schoolboekjes. In feite was het niet meer dan een wapenstilstand. Voor openbaar onderwijs en bijzondere (confessionele) scholen geldt het Nederlandse equivalent van de formule separate but equal. Een echte vrede is iets anders.

Maar nu dient zich toch de aanzet tot een werkelijke verzoening aan, de samenwerkingsschool. Daarin kunnen openbaar en bijzonder onderwijs naar behoefte de handen ineenslaan zonder de eigen identiteit te hoeven prijsgeven. Want die wordt verzekerd door artikel 23 van de grondwet. Sinds 1917 heeft deze bepaling onveranderd verschillende grondwetswijzigingen - waaronder de algehele herziening van 1983 - doorstaan.

Samenwerking naar behoefte. Die behoefte is er. Het onderwijs heeft in de moderne multiculturele samenleving te maken met leerlingen met problemen die vaak zo complex zijn dat begeleiding vanuit de school alleen niet voldoende is. Dit vraagt om een gezamenlijke sociale aanpak op basis van de gedachte dat de school midden in de samenleving behoort te staan. Dat is primair de gemeente - maar decentralisatie van onderwijsbeleid van rijk naar gemeenten ligt grondwettelijk van oudsher zeer gevoelig. Zeker wanneer scholen van diverse signatuur ook nog eens op (inter)gemeentelijk niveau moeten samenwerken.

HET ONVERENIGBARE valt niet te verenigen, luidt de conclusie van de Onderwijsraad. Deze is het belangrijkste adviesorgaan van de regering op dit terrein en de belichaming van de onderwijspacificatie. In februari adviseerde de raad al tegen de samenwerkingsschool. Ook na enige aanpassingen van de voorstellen bleef de Onderwijsraad van oordeel dat de samenwerkingsschool in strijd is met de grondwet en dus niet kán. Dit soort halsstarrigheid maakt de tirade tegen artikel 23 van vice-premier Dijkstal in december jongstleden een stuk begrijpelijker, zij het niet direct een bijdrage tot een oplossing.

Openbaar en bijzonder onderwijs onder één bestuurlijk dak kan natuurlijk best. Er kan verschil worden gemaakt tussen verschillende vestigingen. Binnen eenzelfde vestiging kunnen verschillende stromingen hun eigen plaats krijgen. En zelfs als de samenwerkingsschool te klein is om afzonderlijke stromingen te herbergen kan bij de inrichting van het werk selectief tegemoet worden gekomen aan richting onderwijs.

Deze laatste variant ligt praktisch gezien het meest precair, want het bijzonder onderwijs is dan in feite slechts een incrementum binnen een openbare school. Deze variant wordt door de Onderwijsraad aangegrepen om het hele samenwerkingsplan in de constitutionele ban te doen. Een bijzondere school zou zich alleen voor zo'n fusie lenen bij wijze van overlevingsstrategie. Dat geldt kennelijk niet als een serieuze keuze. Het omgekeerde, bijzondere scholen die geacht worden de behoefte aan openbaar onderwijs te vervullen, stuit in de kring van de constitutionele orthodoxie overigens niet op bezwaar. Het verzet tegen de samenwerkingsschool heeft dan ook wat van een gelegenheidsargument.

DE ECHTE PIJN zit hem overduidelijk in de stelling van het kabinet dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de school als organisatorische eenheid en het onderwijs dat binnen die eenheid wordt gegeven. De Onderwijsraad vereenzelvigt onderwijs en bestuur. Dat is zelfs binnen het bijzonder onderwijs zelf uit de tijd, want daar wordt ook al samengewerkt tussen verschillende denominaties.

De adviezen over de samenwerkingsschool vormen een goed voorbeeld van wat is genoemd de 'mythevorming' rond artikel 23 van de grondwet. Het grondwetsartikel van 1917 is een eigen leven gaan leiden in een steeds dichter gesponnen cocon van regelgeving. Iedere verandering van betekenis stuit op de mantra van artikel 23 zonder dat wordt ingegaan op de inhoudelijke kern van deze nog steeds waardevolle bepaling. De grondwettelijke vrijheid gaat over leraren en leerlingen en niet over bestuurders die moeilijk van hun gecoöpteerde zetels kunnen klimmen wanneer de tijden veranderen.