Newts neergang

ELIZABETH DREW: Showdown. The Struggle Between the Gingrich Congress and the Clinton White House

398 blz., Simon and Schuster 1996, ƒ 52,50

Newt Gingrich hecht aan discipline. Vlak nadat hij tot voorzitter van het Huis van Afgevaardigden was gekozen zei hij tegen journalist Elizabeth Drew dat George Marshall en Dwight Eisenhower hem tot voorbeeld dienden. Niet wegens hun politieke carrière, hoewel de één het bracht tot minister van buitenlandse zaken en later defensie onder president Truman, en de ander Truman opvolgde. Nee, Gingrich was vooral onder de indruk van hun optreden als stafchef van het leger (Marshall) en bevelhebber (Eisenhower) tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zoals zij de Geallieerden toen naar de overwinning voerden, zo was Gingrich van plan de parlementaire veldtocht te leiden tegen de Democraten.

Daarbij had hij twee voordelen. Ten eerste genoot hij als architect van de verkiezingsoverwinning van november 1994 groot aanzien bij zijn Republikeinse achterban. Dat stelde hem in staat de tegenstander vol vertrouwen en, zo leek het, met gesloten gelederen tegemoet te treden. De Democraten waren bovendien verdeeld, verzwakt en, voor het eerst in veertig jaar, in de minderheid. Hun commander in chief in het Witte Huis had de eerste twee jaar van zijn regering zoveel klappen gekregen, dat hij in de strategie van Gingrich nauwelijks meer meetelde. President Clinton leek dat ook in te zien. Begin 1995 openbaarde hij zichzelf nog wel degelijk 'relevant' te vinden. Dat hij het noodzakelijk achtte zijn omgeving hierop attent te maken, was volgens enkele commentatoren een veeg teken.

Het wekte dan ook enige verbazing toen Gingrich enkele maanden later Marshall en Eisenhower als voorbeelden terzijde schoof. Hun plaats werd ingenomen door de Britse hertog van Wellington (1769-1852), de bedwinger van Napoleon. Wellington was, zei de woordvoerder van Gingrich tegen Drew, een beter 'managementsvoorbeeld'. Hij had een kleiner leger dan Marshall en Eisenhower en “hoefde daarom minder te delegeren”. Gingrich voelde kennelijk de behoefte de teugels aan te halen. Wat was er gebeurd?

Gingrich had, zo blijkt uit Showdown, als politiek strateeg een beginnersfout gemaakt. Hij onderschatte zowel de veerkracht van Clinton als de zendingsdrang van veel partijgenoten. Met name de zogenoemde freshmen, 73 Republikeinen die voor het eerst waren gekozen, wilden van geen compromis weten. Het Republikeinse verkiezingsprogramma, het Contract with America, was hun bijbel. Ze gingen liever strijdend ten onder dan dat ze daarvan afweken. Gingrich daarentegen was zich er voortdurend van bewust hoe klein de meerderheid van de Republikeinen was. Wilde hij resultaten boeken, dan was hij gedwongen samen te werken met de gematigde vleugel in zijn eigen partij en met conservatieve Democraten. Over het doel van de 'revolutie', de afbraak van de verzorgingsstaat, verschilde hij niet van mening met de radicale Republikeinen. Wel over de middelen. Gingrich slaagde er niet in hen tot inkeer te brengen, waarmee de poging om een nieuwe politieke koers in te slaan feitelijk tot mislukken was gedoemd.

Clinton krabbelde in 1995 langzaam uit het dal. Met de hulp van een nieuwe adviseur, die voorheen vooral Republikeinen had bijgestaan, stippelde hij een uitgekiende strategie uit. Kern daarvan was de zogenoemde triangulation: de president in de top van de driehoek, met onder hem zowel de Republikeinen als de Democraten. Vanaf nu, was de boodschap, stond de president boven de partijen. Met het gekrakeel in het parlement liet hij zich nauwelijks in. Een enkele keer daalde hij van zijn troon in het Witte Huis om Gingrich een veeg uit de pan te geven. De voorzitter van het Huis van Afgevaardigden was een extremist, heette het dan, en zijn radicale plannen vormden een gevaar voor de samenleving.

Zelfs zijn eigen medewerkers waren verbaasd: Clinton leefde zich wel erg goed in zijn nieuwe rol in. Hij hield een aantal effectieve redevoeringen - die van tevoren nauwkeurig door opiniepeilers op zogeheten focusgroepen waren getoetst - over geweld op de televisie en in de binnensteden, over vervreemding en het verval van burgerzin. Uiteindelijk wist hij zelfs het gevecht om de begroting te winnen. Ook daarbij ging hij gehaaid te werk. Hij nam de meeste Republikeinse thema's over, inclusief hun eis het begrotingstekort in zeven jaar weg te werken, maar weigerde te tornen aan de pensioenen en de ziekenzorg voor ouderen.

Gingrich is aan het eind van Showdown, Drews tweede boek over het tijdperk-Clinton, voorlopig uitgeraasd. Hij is geen schim meer van de zelfverzekerde revolutionair die een jaar daarvoor nog trots aankondigde op “zestig fronten tegelijk” actief te zullen zijn. Dat was, verklaarde hij toen, nodig om de vijand in verwarring te brengen en vervolgens te verslaan. Achteraf krijgt men de indruk dat Gingrich zèlf eerder van de kook raakte. Door de vele gesprekken die Drew met hem voerde, kunnen we dat proces van dichtbij volgen.

Een klein voorbeeld van Newts mentale gesteldheid. In de zomer van '95 gaf hij Charles Boyd, een luchtmachtgeneraal buiten dienst die hij aan zijn staf had toegevoegd, de volgende opdrachten: 1) nadenken hoe je op een eerlijke manier self-government kunt verwezenlijken; 2) het opzetten van een wereldwijd netwerk en een trainingsinstituut in Washington, waar bijvoorbeeld Somaliërs kan worden bijgebracht hoe de Amerikaanse democratie in de praktijk werkt en Nederlanders, Finnen en Zweden in staat worden gesteld te vertellen over hun ervaringen met de privatisering van de posterijen; 3) nadenken over de vorm en inhoud van het Amerikaanse parlement in de volgende eeuw; 4) bestuderen hoe Amerika leiding geeft aan de planeet; 5) heropleiden van Amerikaanse parlementariërs, zodat zij in de toekomst meer begrijpen van buitenlands beleid en defensie. Mogelijk maakt een volgend boek van Drew duidelijk hoe generaal Boyd zich van zijn taken heeft gekweten.