Misbruikt kind vooral laten praten

ROTTERDAM, 24 aug. “Na alle ophef over de twee doodgehongerde en misbruikte Belgische meisjes, met als hoogtepunt het collectieve rouwen rond de begrafenis, is het toch wel goed om te beseffen dat dergelijk seksueel misbruik en mishandeling door vreemden eigenlijk zelden voorkomt.”

Dat zegt dr. F.C. Verhulst, kinder- en jeugdpsychiater aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. “Ik wil niets afdoen aan de gruwelen die de meisjes hebben ondergaan, maar ik hoop dat ouders hierop verstandig reageren. Het is niet goed om kinderen van nu af aan krampachtig te waarschuwen tegen kinderlokkers. Een kind mag natuurlijk niet met vreemden meegaan, maar de buitenwereld moet niet vijandig en beangstigend worden afgeschilderd. Dat doet meer kwaad dan goed.”

Verhulst, co-auteur van het handboek Kinder- en jeugdpsychatrie, merkt op dat veruit de meeste gevallen van mishandeling en seksueel misbruik van kinderen plaatsvinden binnen het gezin of bij verwanten. Mishandeling door vreemden komt zeer weinig voor: minder dan vijf procent. Verhulst: “Voor seksueel misbruik van kinderen heb ik niet direct cijfers voorhanden, maar daarbij geldt ook dat het merendeel van het misbruik wordt gepleegd door naaste verwanten. Misbruik door vreemden is echt een kleine minderheid. Ik krijg daarvan hooguit één tot twee gevallen per jaar binnen.”

Uit meldingen van vertrouwensartsen blijkt dat binnen het gezin het vooral ooms (25 procent) en broers (25 procent) zijn die kleine kinderen seksueel misbruiken. Vaders en stiefvaders (samen 19 procent) worden minder vaak gemeld. Een minderheid wijst de grootvader (9 procent), neef (9 procent), zwager (5 procent en andere huisgenoten (8 procent) aan. Verhulst: “Toch blijkt uit bevolkingsonderzoek dat kinderen - en vooral meisjes - als grootste angst de angst voor vreemden hebben: de enge man in de bosjes.”

Verhulst: “Vergeleken met seksueel misbruik binnen het gezin heeft - cynisch gesproken - seksueel misbruik door vreemden het 'voordeel' dat het gezin intact is en geborgenheid blijft bieden. Het zijn voor hulpverleners de 'gemakkelijke gevallen' - de ouders werken mee, er is geen sprake van jarenlang chronisch misbruik en ontwrichting van het gezinsleven. In een stabiel gezin hoeft bij een kind dat licht seksueel is misbruikt geen blijvende psychische schade op te treden.”

Maar wat is licht en wat is zwaar misbruik? Verhulst: “Tot licht misbruik zou ik exhibitionisme rekenen, seksuele handelingen verrichten in het bijzijn van het kind, maar zonder aanraking. Erger is toch wel aanraking, vooral van de genitaliën van het kind. En zwaar misbruik is verkrachting, penetratie van het kind: vaginaal, anaal of oraal. Bij dit laatste is er bijna altijd blijvende psychische schade bij het kind, ook wanneer het uit een stabiel gezin komt dat alle hulp biedt.”

Veelal ontwikkelt zich het posttraumatisch stress syndroom met slaapstoornissen en angstige momenten waarop het gebeurde weer opnieuw beleefd wordt. Verhulst: “Oudere kinderen kun je laten praten, waardoor zij hun angsten enigszins verliezen. Bij jonge kinderen zie je soms reenactment, het al dan niet gedeeltelijk naspelen van het gebeurde. Soms vertonen seksueel misbruikte kinderen versterkt seksueel gedrag, soms anderszins vreemd gedrag. Ook komen dissociatiefenomenen voor: bij sommige gebeurtenissen wordt het kind overspoeld door angst en lijkt dan tijdelijk een andere persoonlijkheid aan te nemen.”

De therapie bestaat vooral uit het begeleiden van de ouders. Verhulst: “Het is heel belangrijk dat de ouders het kind de ruimte bieden om te praten. Een hulpverlener ziet een kind een uurtje per week, maar de ouders zien het kind de hele dag. Kinderen kunnen soms geruime tijd zwijgen over een traumatiserende gebeurtenis. Dan kan het kind, dat bij de hulpverlener geen woord losliet, tijdens de afwas spontaan beginnen te vertellen. De ouder moet daarop voorbereid zijn en niet schrikken en het gesprek afkappen.”

“Een voorbeeld. Ik had hier laatst een meisje van zes jaar die door een vreemde was verkracht. Ze kwam pas dagen na deze gebeurtenis met een verward verhaal. Haar ouders zaten met het probleem: wat moeten we daarvan geloven? Het kind werd verhoord door de politie, ook al een traumatische gebeurtenis, al gaat het tegenwoordig beter. Maar daarna zaten ze met het probleem hoe ze het kind moesten begeleiden. Doen we het wel goed? Moeten we de verhalen van het kind verder negeren of er juist op ingaan? Ons werk is dan eigenlijk preventief: we helpen de ouders met de begeleiding. ”

In tegenstelling tot de Verenigde Staten bestaat in Nederland bij artsen geen meldingsplicht bij mishandeling of seksueel misbruik van kinderen. Verhulst: “Gelukkig maar. Ons werk is het bieden van geestelijke hulp. We zijn geen detectives, we zijn er niet om erachter te komen wat er precies gebeurd is. Kinderen verzinnen soms maar wat. We moeten niet de fouten maken als bij De Bolderkar of in Oude Pekela.”