Gijzelaars van het kapitalisme

DONALD SASSOON: One hundred years of socialism. The West European Left in the twentieth century

965 blz., I.B. Tauris 1996, ƒ 105,70

De sociaal-democratie is nooit bijzonder populair geweest onder historici. Er zijn vele studies gewijd aan uiteenlopende splinterpartijtjes van marginale en links-radicale aard, maar fatsoenlijke geschiedenissen van het enige deel van de linkse beweging dat er in westelijk Europa werkelijk toe heeft gedaan zijn schaars en dikwijls van oude datum. Het weinig opwindende, ietwat suffe en morsige imago van de sociaal-democratie heeft haar ook in dit opzicht parten gespeeld. De achterstand is misschien nog niet goedgemaakt, maar de Britse historicus Donald Sassoon heeft wel een grote stap in de goede richting gezet. One hundred years of socialism is een imposante geschiedenis van de linkse beweging in West-Europa gedurende de twintigste eeuw en van de sociaal-democratie in het bijzonder. Een bescheiden plaats is ingeruimd voor de communistische beweging in die landen, Frankrijk en Italië, waar de sociaal-democratie lange tijd een ondergeschikte positie heeft ingenomen. Het is een indrukwekkend boek - omvangrijk, origineel, kritisch maar sympathiek, en in een redelijk vlotte stijl geschreven. En het is ook een opwekkend boek - een goed antidotum tegen kapitalistisch triomfantalisme en sociaal-democratisch défaitisme.

De belangrijkste prestatie van de sociaal-democratie gedurende de afgelopen eeuw is de beschaving van het kapitalisme geweest, stelt Sassoon vast. Ze was niet de enige politieke stroming die een bijdrage leverde aan de geestelijke, maatschappelijke en zedelijke verheffing van dit systeem, maar ze was zeker de belangrijkste. Als de sociaal-democratie zich al gedwongen zag tot een vreedzame coëxistentie met het kapitalisme, zoals Sassoon beweert, dan is die dwang, die door de eigen tekortkomingen bepaalde noodzaak tot samenleven, in betrekkelijk korte tijd veranderd in een wellicht niet altijd even enthousiaste maar toch overtuigde identificatie met de bestaande orde. Op bepaalde voorwaarden natuurlijk. Ze werden ruim een eeuw terug, in 1891, door Karl Kautsky en Eduard Bernstein geformuleerd in het Erfurter Programma van de SPD en ze zijn sindsdien de essentialia van ieder sociaal-democratische manifest geweest. Sassoon vat ze samen: democratisering van de samenleving, creatie van de verzorgingsstaat en regulering van de arbeidsmarkt.

Hoe consistent deze voorwaarden ook zijn geweest, de sociaal-democratie heeft ze vrijwel altijd ondergeschikt gemaakt aan een belang van een nog hogere orde, aan het belang van de nationale staat. Voor 1914 had geen enkele sociaal-democraat ooit met toestemming van zijn partij regeringsverantwoordelijkheid gedragen. De Eerste Wereldoorlog bracht de ommekeer. In de meeste oorlogvoerende landen traden sociaal-democraten toe tot de regering - niet om hun lang gekoesterde politieke en economische hervormingen te realiseren, zoals Sassoon opmerkt, maar om de bestaande staat, om het Vaderland te verdedigen. De behoeften en beperkingen van het kapitalisme en de belangen van de nationale staat zijn in de twintigste eeuw de parameters van het sociaal-democratische experiment. Het zijn de peilers waarop Sassoons geschiedenis One hundred years of socialism rust.

Het zou vreemd zijn als er op een boek van een dergelijke omvang, reikwijdte en pretentie niets is aan te merken. One hundred years of socialism heeft de structuur van een omgekeerde pyramide.

Hoe dichter bij het heden, hoe uitgebreider de analyse. De eerste vijftig jaar gaan er in een luttele honderd bladzijden doorheen, voor de na-oorlogse geschiedenis heeft de auteur er ruim zes maal meer nodig. Dit is ten koste gegaan van de evenwichtigheid en van de leesbaarheid van het boek. Bovendien blijkt Sassoon niet altijd even zorgvuldig. Hij kent geen Duits (een bijzondere handicap voor een historicus van de sociaal-democratie en de reden waarom hij enkele belangrijke studies naar de sociaal-democratie heeft gemist) maar strooit desalniettemin, of juist misschien daarom, kwistig met Duitse begrippen en uitdrukkingen. Die wemelen dus van de taalfouten. Nederlandse politiek en taal behoren evenmin tot Sassoons sterkste punten. Paul Kalma's boek Het socialisme op sterk water wordt vertaald als 'Socialism in rough waters'. Ruud Lubbers was niet gedwongen af te treden in mei 1994 en Jan Pronk is geen 'voormalig minister-president'. Het zijn details, kleine voor de volgende druk te corrigeren oneffenheden.

Waar de sociaal-democratie begon als een beweging die de afschaffing van het mensonwaardige kapitalisme als hoogste doeleinde had geformuleerd, werd ze een steunpilaar en uiteindelijk zelfs een gijzelaar van de aanzienlijk vriendelijker variant die ze had helpen ontwikkelen. Kort en goed, het fortuin van de sociaal-democratie was, meer dan dat van andere politieke stromingen, afhankelijk van de ontwikkeling, van het succes, van het kapitalisme. Hoogconjunctuur, althans een redelijke economische groei, verschafte haar electoraat en financiële mogelijkheden haar politieke programma te realiseren. Hoogconjunctuur, aldus Sassoon, stelde sociaal-democraten in staat zich als sociaal-democraten te gedragen.

Deze spitse variant op de oude wijsheid dat sociaal-democraten vooral bekwaam zijn in het doen van leuke dingen voor de mensen is eenzijdig en achterhaald. De sociaal-democratie blijkt ondertussen ook bijzonder bedreven te zijn geraakt in het doen van onaardige dingen voor de mensen. Bovendien is het niet de stand van de economische conjunctuur per se geweest die de populariteit van de sociaal-democratie heeft bepaald, maar de mate waarin de samenleving ervan overtuigd was dat het kapitalisme gereguleerd of desnoods gecontroleerd dient te worden. En, hoe merkwaardig, deze overtuiging leek vooral te groeien als het economisch beter ging en af te nemen naarmate de economische situatie verslechterde. Vandaar de prominente positie van de sociaal-democratie in het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog en in de, zoals Sassoon haar typeert, Golden Age of Capitalism (de jaren zestig en zeventig). Dit waren geen tijden van crises, maar zeker in de jaren vijftig was evenmin sprake van grote welvaart en uitbundige herverdeling. De sociaal-democratie profiteerde vooral van de breed gevoelde noodzaak van overheidsingrijpen in, van regulering van de economie. Vandaar ook de ernstige problemen waarin de beweging geraakte in de loop van de jaren tachtig. Het was niet de economische teruggang die haar de das omdeed maar het ongebreidelde vertrouwen in de heilzame werking van de markt, of beter: van de wereldwijde suprematie van de ideologie van de vrije markt.

Volgens Sassoon is de huidige crisis van de sociaal-democratie, van het welfare socialism vooral een ideologische crisis, een gebrek aan vernieuwend denken. Hij klaagt dat er de afgelopen decennia geen enkele nieuwe ontwikkeling is geweest die het waard was te beschrijven of te overdenken of die de Europese socialistische beweging heeft voorzien of voorspeld. 'Links' leverde de langst-regerende Franse president sinds Napoleon III, bestuurde Italië vijf jaar achtereen (Bettino Craxi, een sociaal-democraat met grote kloten, zoals dat daar wordt genoemd, maar gering fatsoen) en sterkte de democratie in de voormalige Zuideuropese dictaturen Spanje, Portugal en Griekenland. Maar het leed ook dramatische verkiezingsnederlagen, soms zelfs de ene na de andere (Labour, de SPD). Niet zozeer het electoraat maar de ideeën van de sociaal-democratie waren op. De sociaal-democratie, stelt Sassoon, dient zichzelf opnieuw uit te vinden.

Het laatste deel van One hundred years of socialism is gewijd aan het recente Umdenken der sociaal-democraten. Sassoon geeft een overzicht van de veelheid van nieuwe opvattingen, ideeën en overtuigingen die hij schaart onder de noemer 'neo-revisionisme'. Dit 'neo-revisionisme' is een 'liberale' afwijking, het definitieve afscheid, vermoed ik, van de klassieke sociaal-democratie: beschaafd-conservatief, étatistisch, pragmatisch, en enigszins huiverig voor wat Sassoon de stokpaardjes van de midden-klasse noemt, zoals radicaal feminisme en ecologie. De kampioen van dit 'nieuwe denken', het model van de nieuwe sociaal-democratie, is, volgens Sassoon, de Nederlandse PvdA.

In lijn met zijn betoog meent Sassoon dat de huidige crisis van de sociaal-democratie in belangrijke mate een bijproduct is van de (versnelde) mondialisering van het kapitalisme. Traditionele concepties van nationale politiek, van politieke partijen, ideologieën en instrumentaria zijn het afgelopen decennium onder forse druk komen te staan. Dit raakt de sociaal-democratie in ernstiger mate dan andere politieke stromingen - niet omdat ze zich in sterker mate dan andere partijen met de nationale staat zou hebben geïdentificeerd; wel omdat ze meer dan andere partijen de nationale staat beschouwt als instrument bij uitstek voor het verwezenlijken van haar politieke doeleinden. Sassoon besteedt veel aandacht aan de relatie tussen sociaal-democratie, natie en nationale staat. Hoe hoog het internationalisme ook in het vaandel stond geschreven, de sociaal-democratie is, zelfs al voor ze zich met de nationale staat verzoende, in vele opzichten een uitgesproken nationale politieke beweging geweest. Dat wil niet alleen zeggen dat de sociaal-democratische partijen de belangen van de eigen staat en natie (hoe ook gedefinieerd) soeverein achtten maar ook dat hun politieke oriëntaties sterk nationaal waren gekleurd.

Zeker gold dit voor de sociaal-democratische buitenlandse politiek. Die is er namelijk, op enkele uitzonderingen na, nooit geweest. Sociaal-democraten hebben vrijwel altijd de dominante interpretaties van het nationale belang omarmd, stelt Sassoon terecht. 'De aanhang riep weliswaar om een 'socialistische' buitenlandse politiek, maar niemand wist waar die te vinden en hoe die te maken.' De anti-Europese houding van Labour, de neutrale positie van de Zweedse sociaal-democraten, het heilige geloof in de eigen kernmacht van de Franse socialisten en de standvastige identificatie met het westsers bondgenootschap door de PvdA - de internationale sociaal-democratische beweging heeft zich niet anders dan 'nationaal' gemanifesteerd.

Juist hier ziet Sassoon belangrijke veranderingen. Het 'neo-revisionisme' onderscheidt zich naar zijn mening van alle eerdere pogingen tot vernieuwing in de erkenning door sociaal-democraten dat een nationale weg naar de sociale democratie, een regulering van het kapitalisme binnen de context van de nationale staat, niet langer mogelijk is. Hij besluit zijn One hundred years of socialism met een pleidooi voor een sociaal-democratisch antwoord op de mondialisering en integratie van economie en politiek in de jaren negentig. Erg behulpzaam bij de formulering van dit antwoord is hij echter niet. De nostalgische overpeinzing waarmee hij zijn opus magnum besluit, geeft zijn twijfels weer.

Het is nog maar de vraag of de sociaal-democratie de stormen van het einde van dit millennium zal overleven, sluit Sassoon af, maar al degenen die sympathie koesteren voor de sociaal-democratie, die haar waarden en verwachtingen delen, die zich opwinden over haar weifelmoedigheid en haar voortdurende neiging tot compromissen, al diegenen dienen zich te realiseren dat, als puntje bij paaltje komt, de sociaal-democratie het enige is dat links rest, 'the only Left that is left'.