De ondergang van een politieke scheepswerf; Het complot van Gdansk

De scheepswerf van Gdansk, bakermat van de politieke omwenteling in Polen, is onlangs failliet verklaard. De achterblijvers zien er een complot in van de regering van ex-communisten, maar rendabel is de werf al jaren niet. Economen die de problemen zagen aankomen, konden niet op tegen de symboolwaarde en de persoonlijke bemoeienis van Lech Walesa. De heroïek is nu geschiedenis.

Tadeusz Sobul werkt aan zijn laatste schip. Als lasser en assistent-kraandrijver zag hij sinds 1958 honderden schepen van de werf in Gdansk het water inglijden. Hij was erbij toen een collega, Lech Walesa, de mannen in 1980 aanvoerde in hun opstand tegen het communistisch bewind in Polen. “Toen hadden we ook geen toekomst”, zegt hij droogjes.

Wanneer het containerschip Montania een dezer dagen te water gaat, is het afgelopen. Tadeusz Sobul - besmeurde overall, hemd open tot aan de navel, sigaret in de mond - heeft zich erbij neergelegd dat hij als 58-jarige tot de duizenden arbeiders behoort voor wie het faillissement van Stocznia Gdanska werkloosheid zal betekenen. “Ik heb geen hoop meer. Volgens mij gaan we allemaal ons werk verliezen. Er wordt nu nog één schip gebouwd op de werf, maar ik geloof niet dat we het zullen afmaken.”

De heroïek is geschiedenis, de stemming onder de mannen is gelaten. Niemand weet wat er aan de hand is, wat de curator doet, of de vakbond Solidariteit nog wat kan uithalen. Sinds het faillissement van de voormalige Lenin-werf begin augustus werd uitgesproken, is de leegloop van de best opgeleiden onder de zevenduizend werknemers begonnen. De achterblijvers wijzen eensgezind naar de schuldige: de Poolse regering van ex-communisten, die weigerde nog meer geld in de werf te pompen.

Overal in Oost-Europa gaan bedrijven failliet omdat ze de vrije markt niet aankunnen. Maar de scheepswerf in Gdansk is meer dan een gewoon bedrijf - zij is het verzetssymbool bij uitstek in Polen. “Het is moeilijk te begrijpen”, zegt Jan Nojeniter, een 52-jarige monteur die al 33 jaar op de werf werkt. Achter hem dansen de kranen rond het laatste schip. “Toen we hier in de jaren tachtig vochten voor onze vrijheid, dachten we dat het na het communisme economisch beter zou gaan. Nu gaat de werf dicht. Het is de schuld van de mensen in de regering. Hier stond de wieg van onze vakbond Solidariteit. Ze willen Solidariteit met wortel en al uit de grond trekken.”

Op de werf, in de kantoren van Solidariteit, in de kerk: overal in Gdansk zingt het complot rond. Eind vorig jaar verloor 'hun' president Lech Waesa de verkiezingen van Aleksander Kwasniewski. De oud-communisten, nu verenigd in het Verbond van Democratisch Links (SLD), kwamen aan de macht. De nieuwe regering zou als grootste aandeelhouder het faillissement van de Stocznia Gdanska hebben afgedwongen om de oppositie uit te roeien, zo luidt de theorie. Hier ontstond immers Solidariteit, de eerste vrije vakbond in Oost-Europa en een massale democratiseringsbeweging die een belangrijke bijdrage leverde aan de omwentelingen van 1989.

In Gdansk geloven velen dat op deze scheepswerf het einde van het Oosteuropese communisme werd ingeluid. Het faillissement van de werf is in hun ogen een late afrekening. De tegenstanders van toen hebben zich soepel de methoden van het kapitalisme, zoals faillissement, eigengemaakt. Dit is hun ultieme rewanz.

In zo'n atmosfeer doet de economische logica niet mee. Het argument dat de werf gebukt gaat onder een schuldenlast van 414 miljoen zoty (152 miljoen dollar) en weinig uitzicht heeft op verbetering, wordt weggewoven. Het feit dat Stocznia Gdanska al jarenlang, ook onder het communisme, een verliesgevend bedrijf is, telt niet. Jarenlang heeft Solidariteit zich verzet tegen saneringsmaatregelen die de werf winstgevend hadden moeten maken. Stocznia Gdansk dacht dat het wel zou loslopen, dank zij de politieke bescherming van de president zelf, elektriciën b.d. Lech Walesa.

Vijandbeeld

Ook Pater Henryk Jankowski houdt het vijandbeeld levend. Jankowski werd als kapelaan der arbeiders wereldberoemd met de werf en Walesa. De muren van zijn donkere pastorie in de St. Brygydakerk hangen vol met portretten van Thatcher, Von Weiszäcker, koningin Beatrix en andere hoogwaardigheidsbekleders. Zijn status in het diplomatieke circuit is inmiddels gedaald na antisemitische zinsneden in zijn preken, zoals: “De Davidster is gegraveerd in de symbolen van de swastika en de hamer en de sikkel”. Maar als katholiek leider - en daarmee onbezoldigd politicus ter plaatse - voelt hij de stemming in Gdansk zuiver aan.

Jankowski wil niets weten van economische argumenten. “Dit heeft helemaal niets met economie te maken. Het faillissement is puur een politieke zaak. In 1988 probeerde de laatste communistische regering, van premier Rakowski, de werf te liquideren om Solidariteit te vernietigen. Dat is toen niet gelukt. De huidige regering is nog steeds bang voor de arbeiders. Het faillissement is de gemakkelijkste manier om van hen af te komen.”

Er is één geluk bij dit ongeluk, meent de prelaat. Nu Lech Waesa geen president van Polen meer is, keren de arbeiders terug naar God. Sinds de roemruchte scheepswerf van Gdansk begin deze maand failliet werd verklaard, trekt zijn Heilige Mis weer zesduizend bezoekers. Jak trwoga to do boga, zeggen de Polen: wie in angst verkeert, wendt zich tot God. “Toen Waesa president was, dachten velen dat ze die steun niet meer nodig hadden. Maar nu verkeren ze weer in dezelfde onzekerheid als in de jaren tachtig”, zegt hij vergenoegd. Onder de dreiging van duizenden ontslagen zoekt Gdansk veiligheid in het geloof, en in een andere lokale traditie: die van wij-tegen-zij. Gdansk staat weer tegenover het communisme.

Voor de bussen vol Duitse toeristen, op zoek naar de sporen van Danzig, is de werf vandaag de dag een verplichte tussenstop. Bij de ingang van voorheen de Leninwerf staat een monument met drie ankers ter herdenking aan de arbeiders die bij de eerste opstand in 1970 door de politie werden doodgeschoten. In steen zijn de eenentwintig eisen uitgehouwen die de stakers van Solidariteit in 1980 aan Warschau voorlegden. Naast het hek staat een souvenirwinkeltje met Solidariteit-aanstekers en -sleutelhangers, posters van Waesa en bidprentjes met Maria.

De symboolwaarde bleek niet genoeg op de vrije markt. Stocznia Gdansk, opgericht in 1946, raakte na de omwenteling van 1989 zijn belangrijkste opdrachtgever, de Sovjet-Unie, kwijt en moest gaan concurreren met internationale scheepsbouwers. Het faillissement waarop de regering-Rakowski probeerde aan te sturen, had de continuïteit van het bedrijf verstoord en potentiële opdrachtgevers afgeschrikt. Om geen bankleningen met hoge rente te hoeven afsluiten, financierde de directie het werk vervolgens met voorschotbetalingen van klanten. Zo ontstond de illusie dat men schuldenvrij was. Het systeem was volgens deskundigen gedoemd om vast te lopen: de werf kon schepen niet op tijd afbouwen, moest hoge boetes betalen en raakte daardoor nog dieper in de problemen.

Bescherming

Janusz Lewandowski heeft het zien aankomen. De econoom uit Gdansk was in 1991 en 1992 minister van privatisering. Hij was als aanhanger van Solidariteit door president Waesa naar Warschau gehaald. Onder zijn leiding werden twee van de drie staatswerven, in Szczezin en Gdynia, gemoderniseerd. De werven ontsloegen werknemers, drongen de kosten terug en bekortten de produktietijd. Daardoor wisten ze te overleven.

Bij de Stocznia Gdansk liep Lewandowski echter vast op het verzet van Solidariteit, en de bemoeienis achter de schermen van president Waesa. “De tegenstand was te groot. De werknemers vonden dat ze subsidie hadden verdiend. De mensen waren trots op hun scheepswerf, en ze liepen over van politiek zelfvertrouwen. De president luisterde naar hun argumenten. Er waren directe interventies vanuit het kantoor van de president. Het werd mij heel duidelijk gemaakt dat de werf onder de directe bescherming van de president stond, en dat hij tegenstander was van een herstructurering. Moreel was het voor mij een heel moeilijke positie. Ik kon als minister geen veranderingen afdwingen. Moest ik dan de politie inzetten? Ik kwam zelf voort uit Solidariteit, ik kwam uit Gdansk. Ik had te vaak gezien hoe de politie de werf in Gdansk omsingelde. Ik heb toen maar besloten me op de andere twee scheepswerven te concentreren.”

In 1994 gaf de regering de leiding van Stocznia Gdanska weer in handen van Ryszard Goluch. Hij was in 1987 door Rakowski als president-directeur opzij geschoven en had in de tussentijd een scheepswerf aan de Kroatische kust geleid. “Bij mijn terugkeer was men bezig negen schepen te bouwen, die allemaal zes tot tien maanden te laat waren. Er was geen geld om de schepen af te bouwen. Ik heb krediet weten te regelen bij de banken. De vorige directie was nog zestien contracten aangegaan, maar ze waren niet goed voorbereid, men wist niet hoeveel arbeiders en geld er nodig was om ze te bouwen. We konden het werk niet afmaken. Dat was een belangrijke reden voor het faillissement.”

De nieuwe directie kwam met een reddingsplan. De werf zou worden afgeslankt van 9500 tot 7000 arbeidsplaatsen, de produktietijd van schepen moest gehalveerd en de totale produktie opgevoerd van 270 miljoen tot 400 miljoen dollar per jaar. De directie wilde bovendien een deel van het enorme bedrijfsterrein verkopen of verhuren. Maar ook dit plan stuitte op verzet van de werknemers. De regering in Warschau weigerde bovendien nieuwe leningen te verstrekken. De minister van privatisering die zestig procent van de aandelen onder zich heeft, stuurde aan op faillissement.

Vakantie

De curator gaat de komende weken onderhandelen met schuldeisers en banken, en met eventuele buitenlandse belangstellenden - gesproken wordt over een Duits-Noors consortium en een Koreaans bedrijf - om de werf in afgeslankte vorm over te nemen. In Gdansk constateerde men met verbazing dat de curator meteen na zijn aanstelling met vakantie ging - weer een punt voor de complotdenkers. Wat de afslanking voor de resterende zevenduizend werknemers betekent, is onduidelijk. Drieduizend tot vijfduizend mensen kunnen hun baan verliezen. De overigen kunnen mogelijk hun werk behouden, als de curator tenminste een investeerder weet te vinden voor een werf die zijn faam meer op politieke dan op economische gronden verwierf.

Ook Janusz Lewandowski sluit politieke bijbedoelingen van de regering-Kwasniewski niet uit. Met een beetje goede wil had de regering naar zijn mening het reddingsplan van de directie kunnen aangrijpen om faillissement te voorkomen. “Natuurlijk zijn er formele gronden voor het faillissement. Maar dezelfde situatie doet zich voor bij tal van andere grote bedrijven in Polen: kolenmijnen, staalfabrieken, tractorfabrieken. Zij worden met openlijke of verborgen subsidies, zoals belastingvrijstelling, in leven gehouden. Dat was in Gdansk ook mogelijk geweest.”

Vreemde talen

Het arbeidsbureau maakt zich intussen op voor de grootste klap die de regionale arbeidsmarkt tot nu toe te verduren heeft gehad. De economie van Gdansk en omstreken (1,43 miljoen inwoners) heeft de gevolgen van de herstructurering na het communisme redelijk kunnen opvangen. Het toerisme en een hausse aan nieuwe bedrijfjes gaven werk aan mensen die elders overbodig werden. De werkloosheid bleef met 12,1 procent zo'n twee procent onder het nationale gemiddelde. Maar als de Stocznia Gdanska in één keer duizenden mensen ontslaat, zal de arbeidsmarkt hen niet kunnen opnemen, voorspelt directrice Grazyna Zielinska.

De scheepswerf heeft lang gefungeerd als een 'sociaal bedrijf', waarin man, vrouw en soms kinderen een baan vonden. “Het zal heel moeilijk zijn om voor de mensen van de werf nieuw werk te vinden”, meent Zielinska. “Eenderde van de werknemers is ouder dan 45 jaar. Veel mensen met gezondheidsproblemen zijn stilletjes naar andere afdelingen verplaatst en hebben een administratief baantje gekregen. Er zijn veel laag opgeleide mensen, terwijl bedrijven hier schreeuwen juist om mensen die vreemde talen spreken en met computers kunnen werken. En de mensen op de Stocznia Gdansk verdienen meer dan wat in vergelijkbare sectoren wordt betaald. Daar heeft de vakbond voor gevochten.”

Wie er ook schuldig is, hoe reëel het faillissement ook moge zijn, zoals veel Polen ziet Zielinska de dreigende ondergang van de werf met lede ogen aan. “Iedere Pool heeft een sentimentele band met de werf. Het is een symbool voor heel Europa.” De werknemers van de scheepswerf, ooit reuzendoders die in de hele westerse wereld op sympathie konden rekenen, worden opgegeten door hun eigen revolutie. Ze hielpen een systeem omverwerpen en passen niet in het systeem dat ervoor in de plaats kwam. “Niemand heeft de arbeiders van de werf mentaal voorbereid op het kapitalisme”, meent Zielinska. “Ze dachten dat hen niets kon gebeuren. Het is triest, maar ze weten niet hoezeer de wereld buiten de werf is veranderd.”