De evolutie van zelfbedrog

Een hoogleraar zou een herziene versie schrijven van zijn leerboek. De bestaande editie was volgens hem verouderd. De uitgever voor wie ik werkte vroeg mij de uitgave te begeleiden en de auteur tot enige spoed te manen, want de nieuwe tekst liet wel erg lang op zich wachten.

Er was aardig wat vraag naar het boek, het was vrijwel uitverkocht, maar de hoogleraar wilde geen toestemming geven voor een gewone herdruk. Bij mijn eerste gesprek bleek echter dat de tekst al “vrijwel klaar was” en alleen nog enkele te verbeteren passages bevatte. Na Pasen zou het af zijn, na Pinksteren, beslist voor de zomervakantie, absoluut erna. Kortom, een slepende affaire.

Toen liep het jaar ten einde en zouden de vrije dagen tussen Kerstmis en nieuwjaar worden gebruikt voor de afronding. We spraken af dat een van de redacteuren van de uitgeverij de tekst zou komen ophalen. Op het afgesproken uur werd de redacteur allervriendelijkst ontvangen, er volgde een geanimeerd gesprek. Tot de auteur zei dat hij de tekst even zou halen, want die lag in een kast op het secretariaat. Hij kwam echter met lege handen terug, want de kast zat op slot en “de secretaresse had de sleutel meegenomen”. Toen heb ik de opdracht teruggegeven. De herdruk is nooit verschenen.

Ik moest aan dit voorval denken toen dezer dagen een hoogleraar als auteur in de problemen kwam en ter verontschuldiging wees in de richting van de fax. Ik realiseerde me hoe ook smoesjes mee-evolueren met de techniek. Die gedachte is natuurlijk niet geheel nieuw. Vrijwel iedereen zal de ervaring hebben dat waar ter wereld ook de dienstverlening in gebreke blijft, de computer tegenwoordig de schuld krijgt. Hij “heeft een fout gemaak” dan wel is geheel “uitgevallen”. Als klant wordt men dan geacht niet verder te vragen, laat staan te zeuren.

Ook voor andere kleine en grote ongerechtigheden zijn de bedoelingen dezelfde gebleven, maar is het technisch arsenaal veranderd. Wie een ander wil treiteren hoeft niet meer met uitgeknipte letters dreigbrieven te plakken, die met de ochtendpost worden bezorgd, maar kan 's nachts opbellen, wat de kans op ontdekking verkleint en nog angstaanjagender is ook.

Psycholoog Draaisma heeft mooi beschreven hoe ook de metaforen die worden gebruikt om de menselijke geest te beschrijven en de werking ervan te begrijpen, “een afspiegeling zijn van de stand van de techniek”. Het stoomketelmodel is terug te vinden in de theorie van Freud: het onbeheerste driftleven zorgt voor druk op de ketel, er zijn uitlaatkleppen nodig in de vorm van toegestaan gedrag, anders ontploft de boel. De hersenen zijn in de loop der tijd vergeleken met een wastablet, een telefooncentrale, een hologram en de laatste tijd gaan mensen onderling steeds meer in computerbegrippen praten over zichzelf. Twee vrouwen hebben het over echtscheiding en een van hen zegt: “Het is moeilijk als je opeens alleen moet wonen, je moet echt helemaal herprogrammeren”.

De overgang van sleutel naar fax is in zijn algemeenheid bezien dus niet zo opzienbarend, maar springt door begeleidende overeenkomsten in de eigen ervaring voor mij opeens in het oog.

De technische vooruitgang zorgt uiteraard aanvankelijk voor aanpassingsproblemen. In het tijdschrift Psychologie heeft journalist Schrooten onder de kop 'Zelfbedrog op de digitale snelweg' enkele nieuwe problemen besproken die de communicatie via e-mail met zich meebrengt. Deze nieuwe vorm zit bedrieglijk tussen persoonlijk gesprek, telefoneren en schrijven in, heeft van alles wat, maar van alles ook net niet. Wie dat niet in de gaten houdt, komt in de problemen.

In een gesprek vormen de woorden die je gebruikt maar een fractie van de bedoeling en emotionele lading van de boodschap. Veel belangrijker zijn de gezichtsuitdrukking (55 procent) en de intonatie (38 procent). Zware woorden worden lichter door een vriendelijke toon en een toenaderend gebaar. Een brief daarentegen moet het louter hebben van de woorden. (Welke hoofdredacteur van welke krant was het ook al weer die er op wees dat het ironieteken node wordt gemist?) Je moet die woorden dus ook zorgvuldiger afwegen, te meer daar de ander niet, zoals in een gesprek, onmiddellijk kan vragen wat je precies bedoelt. Dat kan weer wel tijdens het praten door de telefoon, waar ook de klank van de stem helpt om de bedoeling te begrijpen, maar waar je de gezichtsuitdrukking mist.

E-mail heeft met brief en telefoon gemeen dat je de ander niet ziet en zelfs helemaal niet hoeft te kennen. Het lijkt tegelijkertijd op een persoonlijk gesprek door het onmiddellijke woord en wederwoord. Dat laatste maakt dat mensen ten onrechte een gevoel van nabijheid hebben en vergeten dat de ander niet kan zien welke gezichten ze trekken, terwijl ze een opmerking intypen en ze begrijpen dan niet waarom er een verwijtend antwoord volgt. Er is quasi sprake van intimiteit. Ik herken dit wel van e-mail ervaringen in eigen huis.

Behoudend als ik ben, heb ik zo mijn eigen tussenvormen in het gebruik van nieuwe media. Zo zal ik een belangrijke fax altijd nog eens nasturen per post. De kans dat zowel de fax als de brief zoekraken is immers klein. Bovendien werkt zo'n nagezonden bericht als een nuttige herinnering. Wij hebben maar een simpel apparaat. Duurdere machines geven een bevestiging van goede verzending. Zoekgeraakte faxen als smoes zijn dus bijna net zo uit de tijd als zoekgeraakte sleutels.