De Europese Unie als een markt van illusies; De gouden bergen van Europa

De Europese gemeenschap leek met haar gezamenlijk optreden en gezamenlijke besluitvoering een wondermiddel voor de economie en de eenheid van het naoorlogse Europa. Maar de Unie boet in aan eensgezindheid, aan daadkracht en geloofwaardigheid. 'Europa' dreigt de huidige problemen van werkloosheid en economische stagnatie niet meer het hoofd te kunnen bieden. Over het Europa van de winnaars en vooral: de verliezers.

De Europese gemeenschap is bijna veertig jaar geleden opgericht met het uitdrukkelijke doel 'nauwere betrekkingen' tussen de lidstaten te bevorderen. Het is een bijzonder bouwsel, zij het ook weer niet zó bijzonder als haar pleitbezorgers willen doen geloven. Bijna niemand is het met haar doelstellingen principieel oneens, en de praktische voordelen voor de leden, zoals onbelemmerd handelsverkeer, zijn evident. Op het ogenblik onderhandelen de lidstaten met elkaar over Europese monetaire eenwording en over mechanismen voor gezamenlijke besluitvorming en gezamenlijk optreden. Tegelijkertijd wordt de voormalige communistische landen van Europa in het vooruitzicht gesteld dat zij zich in de komende jaren zullen kunnen aansluiten.

De kans dat de Europese Unie de voorgespiegelde nauwere betrekkingen zal kunnen waarmaken, en daarbij op gelijke voorwaarden toegankelijk zal blijven voor nieuwe leden, is klein. De unieke historische omstandigheden van de jaren tussen 1945 en 1989 zijn voorgoed verdwenen. Het is zelfs zo dat de gebeurtenissen van 1989 in het westen minstens zoveel verwarring hebben gezaaid als in het oosten. De kern van de Frans-Duitse dubbelheerschappij waarop het naoorlogse West-Europa was gegrondvest, lag in een voor beide partijen gunstige regeling: de Duitsers kregen de economische middelen, de Fransen behielden de overhand in de politiek. In de eerste jaren na de oorlog waren de Duitsers natuurlijk nog niet zo rijk als nu, en was de Franse suprematie reëel. Maar halverwege de jaren vijftig was dat voorbij: van toen af aan berustte de Franse heerschappij in West-Europa op een kernwapen dat het land niet gebruiken kon, een leger dat het binnen het continent niet kon ontplooien, en een internationale politieke positie die hoofdzakelijk te danken was aan door eigenbelang ingegeven grootmoedigheid van de drie overwinnaarsmogendheden uit de Tweede Wereldoorlog.

Dit merkwaardige intermezzo ligt nu achter ons, zoals met één economisch feit te illustreren valt. Een overzicht van de Franse economische invloedssfeer in 1990 laat zien dat deze toen beperkt was tot het 'Europa van de Negen': het oorspronkelijke zestal - Duitsland, Frankrijk, Italië en de Benelux - plus Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken. Tussen Frankrijk en deze landen vond een omvangrijke invoer en uitvoer van goederen en diensten plaats. Duitslands economische invloedssfeer omvatte op dat moment niet alleen het huidige 'Europa van de Vijftien', maar van de rest van het continent ook nog eens het grootste deel van het zuiden en oosten. Wat dit betekent is duidelijk. Frankrijk is een regionale mogendheid aan de westrand van Europa geworden, terwijl Duitsland zelfs al voor de eenwording weer de machtigste staat van Europa was.

De Duitse nationale agenda is hierdoor nu overvol. Naast het probleem van de integratie van de oostelijke deelstaten, zitten de Duitsers nog met de paradox van de Ostpolitik van voor de hereniging, namelijk dat vele Duitse politici, speciaal ter linkerzijde, niet ontevreden waren met de stand van zaken en nog wel een tijdje met de Muur hadden kunnen leven. De Duitsers dreigen bovendien door hun grote macht in verlegenheid te raken, want nu ze Europa kunnen leiden, en dat feitelijk ook doen, waar moet dat heen? Van welk Europa zijn ze de natuurlijke leiders - het westers georiënteerde 'Europa' dat door de Fransen tot stand is gebracht, of het traditionele Europa van de Duitse belangen, met Duitsland pontificaal in het midden?

Daar komt bij dat de economische toestand van Europa is veranderd. Na de afkondiging van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1950 heeft West-Europa een generatie lang een ongekende combinatie beleefd van groei en vrijwel volledige werkgelegenheid. Hieruit ontstond de overtuiging dat de kringloop van crises die de Europese economie de voorafgaande vijftig jaar had gekenmerkt, doorbroken was. De oliecrisis van 1974 had aan zulke illusies een einde moeten maken. In 1950 was West-Europa voor slechts 8,5 procent van zijn energiebehoefte afhankelijk van olie; de overige behoefte werd nog altijd merendeels gedekt door steenkool, Europa's inheemse fossiele brandstof. In 1970 was olie goed voor zestig procent van het Europese energieverbruik. De verviervoudiging van de olieprijzen, waardoor de productie- en transportkosten en de kosten van het levensonderhoud blijvend stegen, maakte een einde aan een kwart eeuw van goedkope energie. Noch de Duitse, noch enige andere West-Europese economie is dit ooit helemaal te boven gekomen.

De gevolgen voor de Europese Gemeenschap, later de Unie, waren ernstig. Na 1974 bedreigde de stokkende economische ontwikkeling de lidstaten met werkloosheid, trage groei en stijgende prijzen. Er deed zich een onvoorziene terugkeer naar aloude misère voor. In plaats van een steeds ruimere kring in de vruchten van zijn economisch wonder te kunnen laten delen, kan 'Europa' er zelfs niet meer op rekenen die vruchten te blijven plukken. De gebeurtenissen van 1989 hebben dit probleem aan het licht gebracht, maar de oorzaak waardoor de Unie niet in staat is het op te lossen, ligt vijftien jaar terug.

In 1993 lag de geregistreerde werkloosheid voor mannen en vrouwen onder de 25 jaar in de EU-landen Spanje, Ierland, Frankrijk, Italië, België en Griekenland boven de twintig procent. In die zes landen, plus het Verenigd Koninkrijk, Nederland en het voormalige West-Duitsland, was meer dan een derde van het totale aantal werklozen langdurig werkloos. Het herverdelingseffect van de inflatie van de jaren tachtig verergert de gevolgen van deze toestand, doordat het de kloof tussen de mensen met werk en de werklozen verbreedt.

De snelle groei van de steden, gevolgd door economische stagnatie, heeft in West-Europa bovendien geleid tot toenemende maatschappelijke ontwrichting en grotere lijfelijke risico's dan men er sinds het begin van de industriële revolutie heeft gekend. West-Europa heeft verkommerde satellietsteden, bouwvallige buitenwijken en reddeloze stadsgetto's. Zelfs de machtigste hoofdsteden, Londen, Parijs en Rome, zijn minder veilig dan dertig jaar geleden. Ook in tientallen provinciesteden, van Lyon tot Lübeck, ontstaat een stedelijke onderklasse. Dat dit nog geen rampzaliger sociale en politieke gevolgen heeft gehad, is te danken aan de sociale voorzieningen waarmee de West-Europeanen zich na 1945 hebben ingedekt.

De West-Europese bevolking vergrijst. Sinds het midden van de jaren zestig is het aantal kinderen per gezin voortdurend gedaald. De Europeanen moeten een groeiende groep ouderen onderhouden met de arbeid van steeds minder jongeren, van wie velen geen werk hebben. Een gul stelsel van sociale zekerheid, ontworpen voor bloeiende economieën waarin een groot aantal jonge mensen met banen voorzagen in de sociale behoeften van een betrekkelijke kleine groep ouderen en zieken, staat onder zware druk.

De onvoldoende bij het arbeidsproces betrokken ouderen in Noord- en West-Europa vormen nu slechts een dure last, maar wanneer omstreeks het jaar 2010 de babyboomers met pensioen gaan, kan deze omvangrijke, ontgoochelde, improductieve bevolkingsgroep leiden tot een grote maatschappelijke crisis.

Dan is er het 'immigrantenprobleem'. Door de toestroom van mensen uit voormalige kolonies en de Mediterrane randgebieden, aangelokt door de kans op werk in een economie die arbeidskrachten aanzoog om haar groei gaande te houden, telde West-Europa begin jaren zestig voor het eerst in de twintigste eeuw meer immigranten dan emigranten. In 1973, op het hoogtepunt van de 'buitenlandse aanwezigheid' in West-Europa, hadden de EEG-landen samen met Oostenrijk, Zwitserland, Noorwegen en Zweden zo'n 7,5 miljoen gastarbeiders. Bijna vijf miljoen van hen verbleven in Frankrijk en Duitsland, waar ze ongeveer tien procent van de werkende bevolking uitmaakten. Hoewel door de immigratie-beperking de aantallen sindsdien zijn gedaald, is de groep nog altijd aanzienlijk. In 1990 vormden buitenlanders ongeveer 6,1 procent van de Duitse bevolking, 6,4 procent van de Franse, 4,3 procent van de Nederlandse en 3,3 procent van de Britse. Niet meegeteld zijn genaturaliseerde buitenlanders en ter plaatse geboren kinderen van buitenlanders, hoewel die in enkele landen, zoals Duitsland, ook als buitenlanders worden beschouwd en geen volledige burgerrechten bezitten.

De laatste jaren zijn deze immigranten en hun kinderen het voorwerp geworden van rancune en vrees bij de 'inheemse' bevolking, gevoelens die niet alleen door extremisten, maar ook door politici van het midden worden aangewakkerd. In mei 1989 was 28 procent van Jacques Chiracs gaullistische aanhangers 'het in grote lijnen eens' met de opvattingen over immigranten uit het programma van Jean-Marie Le Pens Front National. In 1991 bedroeg dit cijfer vijftig procent. De communistische en socialistische kiezers gingen hierin minder ver, maar alleen doordat velen van hen al naar Le Pen waren overgelopen: bij de presidentsverkiezingen van 1995 kreeg hij dertig procent van de stemmen van de arbeiders met een baan, tegen slechts 21 procent voor de socialistische kandidaat Lionel Jospin. In Oostenrijk kregen bij de landelijke verkiezingen van december 1995 Jörg Haiders extreem-rechtse Freiheitlichen 22 procent van de stemmen. In Duitsland zijn aan 'gastarbeiders' en andere potentiële immigranten in toenemende mate beperkingen opgelegd, 'in hun eigen belang'.

Het immigratiebeleid zal niet gauw milder worden, want continentale en intercontinentale mensenstromen zijn opnieuw een factor in de Europese samenleving geworden, en plaatselijke angsten en vooroordelen zullen wel zorgen dat die mensenstromen als een verstoring en dus als politiek exploitabel worden ervaren. Europa kent nauwelijks een traditie van effectieve assimilatie - of van het tegendeel: 'multiculturalisme'. In de wedloop om West-Europa's slinkende middelen van bestaan zullen de immigranten en hun kinderen opgaan in de gelederen van de losers.

In de naoorlogse geschiedenis van Europa werden de losers tot nog toe gesteund door ingewikkelde en dure regionale hulpprogramma's, die de Europese Unie organiseerde. Deze vormen een soort geïnstitutionaliseerde bijstand - een correctie op de scheve marktwerking, die de welvaart en de kansen concentreert in de rijke noordwestelijke kern. Maar dit brengt in de oorzaken van de ongelijkheid weinig verandering. Zo vormen Zuid-Europa, de randgebieden Ierland, Portugal en Griekenland de economische onderklasse en de 'immigranten' een gemeenschap van misdeelden waarvoor de EU de enige bron van bijstand is - zonder steun uit Brussel zou een deel van West-Europa, van door de recessie getroffen mijnbouwgemeenschappen tot onrendabele boerendorpen, er nog erger aan toe zijn. Maar tegelijk een bron van afgunst en wrok. Want waar verliezers zijn, zijn ook winnaars.

Wie het 'Europa' van de winnaars in werking wil zien, hoeft slechts een dag of wat door te brengen in de driehoek tussen de steden Saarbrücken, Metz en Luxemburg. Daar passeren welvarende inwoners van Duitsland, Frankrijk en Luxemburg vrijelijk de nagenoeg verdwenen grenzen. Mensen, banen, goederen en amusement switchen moeiteloos tussen de ene staat en de andere, ogenschijnlijk zonder een spoor van de historische spanningen die deze regio tot voor kort kenmerkten. De kinderen groeien nog wel op in Frankijk, Duitsland of Luxemburg en leren hun geschiedenis volgens de nationale pedagogische riten, maar wat ze leren sluit niet goed meer aan op wat ze waarnemen. En zo is het maar beter ook. De natuurlijke eenheid van Saarland en Lotharingen is niet onder Duits opperbevel of een Franse bezettingsmacht tot stand gebracht, maar door het goedertieren beleid van de Europese Commissie.

De Europese winnaars, de mensen en landstreken die onder de Unie goed hebben geboerd en hun voorspoed associëren met een Europese identiteit, laten zich het best definiëren aan de hand van regio's. De toppers van het huidige Europa zijn Baden-Württemberg in Zuidwest-Duitsland, het Rhône-Alpengebied in Frankrijk, en Lombardije en Catalonië. Hun welvaart en economische macht zijn exorbitant. De Rhône-Alpenregio is met de Parijse agglomeratie goed voor ongeveer een derde van het Frans bruto nationaal product. Catalonië was in 1993 goed voor 19 procent van het Spaans B.N.P., 23 procent van de Spaanse export en een kwart van alle buitenlandse investeringen. Het inkomen per hoofd van de bevolking lag er zo'n twintig procent boven het Spaans gemiddelde.

De rijke regio's van Europa zijn gebaat bij samenwerking, hetzij rechtstreeks dan wel via de Europese instanties. Door die samenwerking raken ze meer en meer vervreemd van de staat waarvan ze nog deel uitmaken. Als bron van onenigheid is dit verschijnsel niet nieuw. In Italië dateert de verbittering van de noorderlingen over het feit dat ze in één land zitten met het 'parasitaire' zuiden al van de stichting van de staat. De Vlaamse afscheidingsbeweging in België, die bloeide onder de nazi's en zich daarom na de oorlog een beetje gedeisd heeft gehouden, profiteerde in de afgelopen jaren van de economische achteruitgang van Wallonië. Wij Vlamingen, zo heet het thans, eisen niet alleen taalkundige gelijkwaardigheid en een eigen overheid, maar ook onze eigen - niet-Belgische - identiteit en staat.

Wat alle separatisten - in Spanje, Italië en België, maar ook in Slovenië, en in Tsjechië vóór de 'fluwelen scheiding' - gemeen hebben is dit: 'wij' - de hardwerkende, belasting betalende, beter opgeleide, taalkundig en/of cultureel aparte noorderlingen - zijn meer 'Europees' dan 'zij' - het boerse, achterlijke, luie, gesubsidieerde (Mediterrane) 'zuiden'. Het ligt voor de hand dat een 'Europese' identiteit die zich onderscheidt van ongewenste buren met wie ze in één staat woont, op zoek gaat naar een ander machtscentrum en aan 'Brussel' de voorkeur geeft boven Rome of Madrid. De aanlokkelijkheid van de 'Europese Unie' in dezen is haar kosmopolitische, moderne ontwikkeling, die afsteekt tegen het ouderwetse, benauwde en 'kunstmatige' nationale keurslijf.

Misschien verklaart dat ook de bekoring die 'Europa' heeft voor de jongere intelligentsia in deze landen. In hun ogen is de 'Unie' de laatste nazaat van de verlichte despotie van de achttiende eeuw. Want wat is 'Brussel' anders dan een nieuwe poging om het ideaal van een efficiënt, universeel bestuur te realiseren, ontdaan van particularisme, gedragen door rede en gerechtigheid, zoals de hervormingsgezinde vorsten Catharina de Grote, Frederik de Grote, Maria Theresia en Jozef II dat in hun aftandse staten probeerden in te voeren? Juist de rationaliteit van het ideaal van de Europese Unie is een aanbeveling voor de klasse van hoger opgeleiden die in 'Brussel' een mogelijkheid ziet om te ontsnappen aan starre praktijken en provinciale achterlijkheid.

Dit alles heeft zijn prijs. Als 'Europa' staat voor de winnaars, wie zal het dan opnemen voor de verliezers - het 'zuiden', de armen, de in taal, onderwijs of cultuur achtergestelde Europeanen die niet leven in gouden driehoeken rond vervlogen grenzen. Het gevaar dreigt dat die Europeanen niets rest dan 'de natie' of, nauwkeuriger gezegd, het nationalisme; niet het nationale separatisme van de Cataloniërs of de regionale zelfpromotie van de Lombarden, maar het behoud van de negentiede-eeuwse staat als bolwerk tegen verandering. Daarom, en omdat de kans op steeds nauwere betrekkingen tussen de Europese naties in de praktijk gering is, lijkt het beter om daar niet aan vast te houden. Met mijn pleidooi voor een bescheidener taxatie van de Euro-vooruitzichten wil ik niet suggereren dat nationale instanties tot op zekere hoogte inherent beter zouden zijn dan supranationale; maar we moeten de realiteit van naties en staten erkennen, en het gevaar zien dat deze, indien verwaarloosd, een electorale krachtbron voor nationalisten kunnen worden.

Moet de Europese Unie de landen van Oost-Europa opnemen? In het voormalige Oost-Duitsland is de verwachting dat economische voorspoed het verdeelde land zou verenigen en de ongelukkige herinneringen uitwissen, niet zozeer stukgelopen op die herinneringen als wel op het uitblijven van een economische transformatie die ook maar enigszins vergelijkbaar is met het Westduitse Wirtschaftswunder uit de jaren vijftig. Dit probleem zou zich ook voordoen bij pogingen om de meer oostelijke landen bij de Unie in te lijven.

Alleen al in puur economisch opzicht zou zo'n uitbreiding zware, impopulaire lasten meebrengen. In de EU-begroting over 1992 leverden slechts vier landen een nettobijdrage: Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland (in afnemende volgorde van bijdrage per hoofd van de bevolking). De landen die geld ontvingen waren, in dezelfde volgorde: Luxemburg, Ierland, Griekenland, België, Portugal, Denemarken, Spanje en Italië. De nadien toegetreden lidstaten Zweden, Finland en Oostenrijk zijn weliswaar potentiële betalers, maar hun economieën zijn klein en hun aandeel zal dus niet veel voorstellen. Daarentegen vallen alle potentiële toekomstige leden van de Unie - afgezien van Zwitserland - in de categorie van de ontvangers. In een studie van de Bertelsmann-stichting uit 1994 wordt geschat dat de vier landen van de 'Visegrad-groep', Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije, de Europese Unie aan rechtstreekse betalingen twintig miljard DM per jaar zouden kosten. Het is duidelijk dat het de Unie meer geld zou kosten dan ze zich kan veroorloven om zulke leden toe te laten op dezelfde voorwaarden als de huidige leden.

Om hierboven aangeduide redenen kan de Europese Unie haar huidige leden al geen toekomst garanderen die even veilig en voorspoedig is als het verleden. Bedenksels als 'harde kern', fast track (sommige landen mogen zich sneller ontwikkelen dan andere - vert.), 'variabele geometrie' en 'Partnership for Peace' zijn slechts listen om de onmogelijke keuze te ontlopen tussen nee zeggen tegen nieuwkomers of de Unie op gelijke voorwaarden uitbreiden. In de nabije toekomst zou het voor de EU, economisch gezien, een duur staaltje liefdadigheid worden om haar oosterburen op redelijke voorwaarden op te nemen. Maar zou dat offer voor het eigenbelang van West-Europa niet toch het beste zijn - gesteld dat het zich dat financieel kan veroorloven?

Hoe dit ook zij, het West-Europese debat concentreert zich nu op de werking van de Europese Unie zelf. Kan over gezamenlijk Europees optreden het best worden beslist bij unanimiteit, zoals nu, of beter bij meerderheid van stemmen? In het laatste geval: hoe zouden die meerderheden moeten worden gedefinieerd en hoe bindend moeten hun besluiten zijn? Helmut Kohl en wijlen François Mitterrand waren voorstanders van een of ander meerderheidssysteem, om het risico van impasses te beperken, die zich makkelijk kunnen voordoen bij pogingen om aan de eisen van zo vele lidstaten te voldoen. De Britten en enkele kleinere staten zijn voor handhaving van het veto, juist om te voorkomen dat besluiten worden genomen die strijdig zijn met hun belangen, ja zelfs om te voorkomen dat er überhaupt te veel besluiten worden genomen. Niet toevallig zijn deze conflicten op dit moment aan de orde. In het 'Europa van de Vijftien' zal het ondoenlijk worden ruime meerderheden, laat staan unanimiteit, te vinden voor besluiten waaraan harde keuzes voorafgaan.

Dat geldt vooral voor defensie en buitenlands beleid, gebieden waarop Europa tot nog toe niet actief was. Militaire dadenloosheid kan de EU zich niet meer veroorloven; er is niet op te rekenen dat de Verenigde Staten zich telkens wanneer hun diensten gewenst zijn, in Europese aangelegenheden zullen mengen. De Europese Unie is er niet in geslaagd een gezamenlijk beleid of optreden in militaire of buitenlandse zaken te ontwikkelen. Wat met vijftien leden al problematisch is, zal bij een nog groter aantal onoverkomelijk zijn.

Hoe staat het nu met het belang dat West-Europa heeft bij stabiliteit, bij de bescherming die het landen als Hongarije of Slowakije kan bieden tegen hun binnenlandse kwade genius? Dat is het beste argument dat de Midden-Europeanen kunnen aanvoeren om te worden toegelaten tot de EU - bescherm ons tegen onszelf, tegen de binnenlandse gevolgen van een mislukte 'postcommunistische overgang' - en het spreekt hun westerburen, met name Duitsland, sterk aan. Maar het is een door behoedzaamheid ingegeven argument - reden waarom de EU heeft getracht er aan tegemoet te komen met het aanbod van partieel lidmaatschap, tijdelijke affiliatie en wat dies meer zij - en het stelt een hypothetisch probleem aan de orde, terwijl het Westen worstelt met werkelijk bestaande problemen. Zelfs al zou bezorgdheid over de stabiliteit van Oost-Europa ertoe leiden dat de deur op een kier wordt gezet, dan moet hiervoor toch de prijs worden betaald van een flinke verwatering van doelstelling en functioneren van de Unie. En de beschermende arm van 'Europa' zal ook niet méér omhelzen dan de oude Habsburgse kern - Tsjechië, Hongarije, Slowakije, Slovenië en Polen -, die een soort van minder bedeelde Euro-buitenwijk zal worden. Het 'Byzantijnse' Europa, van Letland tot Bulgarije, zal aan zijn lot worden overgelaten, te dicht bij Rusland en de Russische belangen dan dat het Westen er met agressief vertoon zou kunnen ijveren voor inlijving en bindende verplichtingen.

De leiderspositie in Europa zal intussen toevallen aan Duitsland. Sinds 1990 is het verenigde Duitsland op zoek naar partners voor zijn strategie van expansie in Midden-Europa. Als Bonn een gezamenlijk optreden met andere leden van een Europese fast track voor elkaar krijgt, zal zijn voorsprong niet al te zeer in het oog springen. Zo roepen investeringen in Oost-Europa door Duitse firma's via Oostenrijkse dochterondernemingen of stromannen minder weerstand op dan rechtstreekse investeringen. Het Duitse beleid van na de hereniging is erop gericht de consequenties te trekken uit de machtspositie van Duitsland zonder zijn West-Europese bondgenoten nerveus te maken of bij de Duitsers zelf vrees op te wekken voor nieuwe eerzuchtige nationale plannen.

Een door Duitsland gedomineerd Europa kan, in tegenstelling tot het verleden, worden gekenschetst door zijn afkeer van actief internationaal ingrijpen. Of dat zo zal blijven is een andere kwestie; de herinnering aan het nationaal-socialisme zal niet eeuwig op het Duitse geweten drukken en er komt een punt waarop de remmingen van Duitse politici en hun kiezers om zich te gedragen als elke andere mogendheid - soldaten naar het buitenland sturen, dreiging met geweld gebruiken om nationale doelstellingen te verwezenlijken enzovoort - kleiner zullen worden. Voorlopig is het voornaamste probleem van een door Duitsland geleid Europa een zekere traagheid, waardoor de Europese gemeenschap zich genoopt ziet haar gezamenlijke internationale interventies te beperken tot onomstreden humanitaire of milieukwesties.

Dat is de eerste les van de Joegoslavische tragedie, die de slapte van de Europese initiatieven illustreert, maar ook het dwangmatig vermijden van ieder ingrijpen en het gebrek aan overeenstemming over gemeenschappelijke strategische belangen, anders dan handhaving van de status quo. De oorlog in Joegoslavië maakt bovendien duidelijk dat een Duitse suprematie in West-Europa niet alleen voor het Duitse volk ongewenst is. Een van de hoofdpunten van de Servische propaganda, eerst gericht tegen de onafhankelijkheid van Slovenië en Kroatië, later tegen 'inmenging van buitenaf' in Bosnië, was de stelling dat Duitsland en Oostenrijk probeerden een nieuw 'Duits-katholiek' Mitteleuropa te creëren. Uit vrees dit argument in de kaart te spelen heeft het machtigste land van Europa zich pas na vier jaar actief met de oorlog bemoeid, en zelfs toen is de beslissing om een klein Duits militair contingent - zonder gevechtstaken - te sturen pas genomen na heftig verzet van intellectuele en politieke kringen in Duitsland.

Dit wil niet zeggen dat Frankrijk en Groot-Brittannië zich wel voorbeeldig hebben gedragen. Maar de Fransen en de Britten zagen zich gedwongen om althans iets te doen, vandaar de uitzending van een kleine 'snelle interventiemacht' naar Sarajevo in 1995, nadat pijnlijk duidelijk was geworden hoe zinloos de aanwezigheid van de VN-troepen daar was geworden. Juist omdat deze strijdmacht Frans-Brits was en geenszins onder 'Europese' auspiciën opereerde, bevestigde dit optreden een tweede les van de Balkan-oorlog, namelijk dat het 'Europese' bouwwerk een façade is, waarachter slechts zelfzuchtige aandacht heerst voor fiscale rechtschapenheid en commercieel gewin. Zoals er geen effectieve internationale gemeenschap bestaat, zo is er wat dit aangaat ook geen Europese gemeenschap. Er zijn slechts mogendheden, grotere en kleinere, en op dit moment is een Europa onder Duitse leiding daar niet bij.

Hoe Frankrijk en Engeland de beperkte internationale speelruimte die zij hieraan overhouden zullen gebruiken, hangt af van de lering die hun regeringen trekken uit hun vernederende avontuur in Bosnië. Slechts veertig jaar na de Engels-Franse afgang bij Suez staan zij op het punt opnieuw de geneugten en lasten van betrekkelijke diplomatieke autonomie te ontdekken. Door de Verenigde Staten worden ze niet meer op de vingers gekeken en achter 'Europa' kunnen ze zich niet meer geloofwaardig verschuilen. De jaren 1945-1989 krijgen meer en meer het voorkomen van een intermezzo. Naarmate wij ons verder van de Tweede Wereldoorlog verwijderen, zullen de redenen waarom het zo belangrijk was iets nieuws op te bouwen, ons minder nijpend voorkomen. Daarom moeten we niet alleen voor ogen houden dat er reële vooruitgang is geboekt, maar ook dat de Europese gemeenschap hiertoe een middel was, geen doel. 'Europa' is meer dan een geografisch begrip, maar minder dan een oplossing.