Chicago herinnert partij aan bloedige 'Battle' ('68)

WASHINGTON, 24 AUG. In praatgroepen is de politie van Chicago op het hart gedrukt om vooral tactvol op te treden als de stad volgende week het toneel is van de Democratische conventie. De bijna 3.000 agenten die voor de conventie zijn vrijgemaakt hebben bijles gekregen in de rechten van demonstranten. Ze moeten niet alleen hun best doen om confrontaties te vermijden, maar ook hun gewelddadige reputatie zien af te schudden en zelfs proberen om sympathiek over te komen.

De reden van die speciale instructies is dat Chicago koste wat kost een herhaling wil voorkomen van de bloedige rellen die de laatste keer uitbraken toen de Democraten in deze stad hun conventie hielden. De herinnering aan de Democratische conventie van 1968 is nog steeds verbonden met de Battle of Chicago, de heftige botsingen tussen de politie en betogers tegen de oorlog in Vietnam. Traangas dreef toen over de sjieke Michigan Avenue, verbeten agenten knuppelden demonstranten en omstanders in elkaar (tot in de lobby van het Hilton Hotel toe), en president Lyndon B. Johnson werd in ritmische spreekkoren uitgemaakt voor moordenaar: Hey, hey, L.B.J., how many kids did you kill today?

In de Amerikaanse media wordt dezer dagen uitgebreid teruggeblikt op die gebeurtenissen, waar het land toen hevig door geschokt werd. En het stadsbestuur vreest dat de pers, die 15.000 man sterk in Chicago neerstrijkt, een eventuele ordeverstoring onmiddellijk zal verbinden met de rellen van destijds, die nog altijd als een zwarte bladzijde in de Amerikaanse geschiedenis worden gezien.

Nu is het risico dat de geschiedenis zich 28 jaar later zal herhalen niet groot. Weliswaar worden er ook dit jaar heel wat groepen demonstranten verwacht, vooral tegen de drastische beperking van de bijstand. Maar de tijden zijn veranderd, hoezeer bleek eerder deze zomer wel toen de gemeente onder notarieel toezicht in alle rust de beste plaatsjes verlootte onder de verschillende organisaties van actievoerders. Er viel geen onvertogen woord.

In 1968 was de spanning in de Verenigde Staten hoog opgelopen. De oorlog in Vietnam, waar Washington steeds verder in verstrikt raakte, verscheurde de natie - en ook de Democratische partij. President Johnson, geschrokken van de weerstand in zijn partij tegen zijn Vietnam-politiek, zag ervan af zich herkiesbaar te stellen. Op 4 april werd de leider van de zwarte burgerrechtenbeweging dominee Martin Luther King vermoord. In verschillende steden in het land braken daarop heftige rellen uit, ook in Chicago, waar de beruchte burgemeester Richard J. Daley zijn agenten had geïnstrueerd hard op te treden tegen relschoppers. Shoot to kill, luidde zijn opdracht. Op 6 juni werd Robert Kennedy vermoord, die fel stelling had genomen tegen de oorlog en kandidaat was voor de Democratische nominatie voor het presidentsschap. Op universiteiten woedden ook protesten tegen de oorlog, binnen de Democratische partij had senator Eugene McCarthy van Minnesota zich tot stem van het anti-oorlogskamp gemaakt.

Verschillende groepen bereidden die zomer massale betogingen en andere protestacties voor, die moesten samenvallen met de Democratische conventie in Chicago, eind augustus. De protesten waren gericht tegen de oorlog, tegen president Johnson en tegen de nominatie van vice-president Hubert H. Humphrey - die niet voldoende bezwaar tegen de oorlog zou hebben gemaakt - als de Democratische presidentskandidaat. Maar bij de anti-oorlogsactivisten sloten zich ook extremere groepen aan met een revolutionaire en anarchistische agenda, zoals de Youth International Party, de Yippies. Die laatsten kondigden aan tijdens de conventie in Chicago een “Festival van het Leven” te zullen houden, waarbij de straten van de stad het podium zouden worden voor een “guerrilla-theater”. Ook dreigden ze het leidingwater met LSD aan te lengen.

De confrontatie waar dat alles in uitmondde was niet alleen een generatieconflict, van een jonge anti-oorlogsgeneratie tegen het establishment, maar ook een uitbarsting van klassetegenstellingen. De agenten werden geprovoceerd door de betogers die hen uitscholden en bekogelden met stenen, stokken en menselijke uitwerpselen. Vervolgens sloegen de agenten zo hard en ongecontroleerd terug, dat een officiële commissie hun optreden later zou bestempelen als een “politie-rel”. Het was een uitbarsting van woede en frustratie van agenten die voor het merendeel afkomstig waren uit de arbeidersklasse en gevochten hadden in Vietnam. Tegenover zich zagen ze in welstand opgegroeide college kids, die hen afschilderden als oorlogsmisdadigers terwijl ze zelf de dienstplicht ontdoken.

De hele week trad de politie met ongeremd geweld en grote willekeur op tegen stenengooiers, demonstranten, gedelegeerden en campagnemedewerkers. En de betogers die beseften hoe het er sinds kort in de global village aan toe ging, zongen: The whole world is watching. En dat was zo.

Als de conventie volgende week verloopt volgens de wensen van de organisatoren, dan zal de wereld een andere stad te zien krijgen dan in 1968, een andere Democratische partij en niet te vergeten een andere politiemacht.

De burgemeester heet nog altijd Daley, maar Richard M. Daley is een van de zonen van de oude partijbaas met zijn fameuze patronagesysteem en zijn harde opvattingen over ordehandhaving. De reputatie van Chicago is de huidige burgemeester veel waard, meer dan 30 miljoen dollar heeft hij ervoor uitgetrokken om de stad er goed uit te laten zien, althans in de omgeving van het conventiecentrum.

De Democratische partij zal haar interne meningsverschillen minder luidruchtig uitvechten dan in 1968, toen de rellen op straat de verhitte gemoederen in de conventiezaal nog verder opstookten. En de politie die met een groot percentage vrouwen en minderheden aanzienlijk gevarieerder van samenstelling is dan indertijd, heeft zich heilig voorgenomen niet naar de wapenstok te zullen grijpen.

De enige irritatie onder agenten wordt veroorzaakt door de media, die maar voortdurend herinneringen willen op halen aan een gebeurtenis die niet alleen al 28 jaar voorbij is, maar die bovendien het overgrote merendeel van de huidige politiemacht niet in uniform heeft meegemaakt.

    • Juurd Eijsvoogel