Álles van Bomans is 'ondoenlijk en onwenselijk'

De schrijver Harry Mulisch overhandigt vanmiddag in Haarlem de eerste twee delen van de nagelaten werken van Godfried Bomans aan diens weduwe.

Godfried Bomans: Werken I en II. Uitg. De Boekerij, 822 en 860 blz. Prijs per deel: ƒ 99. Tentoonstelling 'De veelzijdige Godfried Bomans', Teylers Museum, Haarlem, t/m 27/10, en daarna in museum Het Catharina Gasthuis, 23/11 t/m 19/1.

De zeven dikke delen zullen elk meer dan 800 pagina's vol bekend en onbekend werk van de schrijver Godfried Bomans (1913-1971) omvatten, en toch willen de samenstellers niet spreken van Het Verzameld Werk. Bomans heeft te veel geschreven - en het is soms ook te tijdgebonden en te vluchtig geweest - om het allemaal in zeven boeken te kunnen afdrukken. “Een volledige uitgave van alles wat Bomans ooit schreef, is niet te realiseren, en bovendien niet wenselijk,” aldus het voorwoord bij het eerste deel van de serie, die de eenvoudige titel Werken heeft gekregen.

Vandaag zijn de eerste twee verschenen; de rest volgt met tussenpozen van een half jaar. Het laatste boek, met reclamewerk, redevoeringen en een bibliografie, verschijnt in voorjaar 1999. Het materiaal is door de samenstellers Annemarie Feilzer en Peter van Zonneveld naar vorm en thema gerangschikt, en niet in chronologische volgorde. Zo staat het al verbazend volwassen debuutverhaal Zuurkraampjes van de 16-jarige Bomans, in november 1929 gepubliceerd in de schoolkrant Tolle Lege van het R.K. Lyceum Sanctissimae Trinitatis te Overveen, pas in het tweede boek bij de sprookjes. In het eerste boek is al de tekst opgenomen van zijn depressieve dagboek op Rottumerplaat uit de zomer van 1971, omdat in dit deel ook andere dagboekfragmenten werden verzameld.

Deel één geeft al meteen een indruk van de chaotische manier waarop Bomans moet hebben gewerkt: het opent met enkele tot dusver onbekende vingeroefeningen voor de memoires van Pieter Bas, de succesvolle pastiche op de herinneringen van een invloedrijk staatsman, daarna is de volledige tekst afgedrukt van het uit 1936 daterende boek en tenslotte volgt nog de fragmentarische opzet voor een vervolg (Deel twee: Bekentenissen van een oud man), dat nimmer is gepubliceerd. Ook de vele verschillende voorwoorden bij Pieter Bas werden verzameld, met stijlbloempjes als: “Juist in een tijd als de onze, waar de edele staatmanskunst dreigt te verzanden in boterprijzen en ijdel Benelux-gesnap, voorzien Bas' memoires in een dringende behoefte. De opgroeiende jeugd kan eruit leren hoe men lid kan zijn van de Tweede Kamer en zelfs deel uitmaken van het Kabinet, en zich nochtans niet vervelen.”

Voorts omvat dit deel het populaire Erik of het Klein Insectenboek, inclusief de voorwoorden bij de diverse drukken, waarin Bomans polemiseert met door hem zelf verzonnen insectologen als dr. Th. Brilstra, dr. L. Pluimpjes en de regenwormist F. Haldemey, het vergelijkbare boek Wonderlijke nachten, het nooit gepubliceerde typoscript voor een serieus bedoelde roman naar negentiende-eeuwse snit over het zeemansleven en de slavernij (waarschijnlijk uit 1944), en een eerbiedig getoonzet gedenkboek uit 1950 voor de Cisterciënzerabdij Maria Toevlucht te Zundert. Vier dagboeken uit uiteenlopende periodes sluiten het eerste boek af. Daaronder bevinden zich een feitenrelaas over de laatste maanden van de bezetting en enkele overpeinzingen uit 1957, zoals deze, na een causerie aan de Leidse universiteit: “Het viel mij op, dat de studenten telkens lachten, hoewel er niets te lachen viel. Dit is blijkbaar mijn lot.”

In de volgende delen worden onder meer de toneelstukken opgenomen die Bomans op jeugdige leeftijd schreef, de Pa Pinkelman-strips in hun oorspronkelijke versie, een groot aantal beschouwingen uit Elsevier en de Volkskrant, de boeken naar aanleiding van de tv-programma's die hij maakte (en de uitgewerkte teksten van sommige uitzendingen) en veel losse artikelen. Zijn vertalingen, waaronder enkele romans van Dickens en het befaamde Baron von Münchhausen, blijven in deze bundeling achterwege.

Onder de passende titel De veelzijdige Godfried Bomans is vanaf vandaag in het boekenkabinet van museum Teylers in Haarlem een tentoonstelling te zien van foto's, plakboeken, knipsels, handschriften, typoscripts en parafernalia - zoals Bomans' schaakbord, het lorgnet dat hij hanteerde als hij Sinterklaas speelde, de bel plus voorzittershamer van de sociëteit Teisterbant waarvan hij mede-oprichter was, en een door zijn uitgever in de handel gebrachte tegel met Bomans-spreuk: “Waar het sprookje eindigt, daar begint het leven.” Curieus is een pamflet uit 1916 voor mr. J.B. Bomans, de vader van de schrijver, die als gedelegeerde van de afdeling Zandvoort van de R.K. Staatspartij meedeed aan de verkiezingen. De wijze waarop de oude Bomans hier wordt aangeprezen (“een ongedwongen losheid en beminnelijkheid kenmerkt zijn doen en laten”) doet sterk denken aan de persiflerende stijl van 's mans zoon.

Ook wordt aandacht besteed aan Bomans' hang naar verkleedpartijen, mystificaties en niet-bestaande genootschappen. Samen met zijn tekenende vriend Harry Prenen richtte hij eind jaren dertig de zogenaamde Rijnlandsche Academie op, die slechts bestond uit de beide oprichters, maar wel beschikte over briefpapier met een voorgedrukt briefhoofd.

Later kwamen daar nog het fictieve Thomas Robert Spoon-genootschap bij, en de al even dwaze afdeling Haarlem van de wel bestaande Dickens Fellowship.

De tentoonstelling wordt geopend door Harry Mulisch, over wie Bomans op 22 maart 1957 in zijn dagboek noteerde: “'s Avonds geschaakt met Harry Mulisch. Wij hadden een gesprek en hij kwam toen helemaal los van zichzelf, d.w.z. van de gedachte: ik zit hier en zeg dat. Wij spraken over vrouwen en daardoor werd hij meegesleept. Zijn erotomanie: hij haalt aan vrouwen in, wat hij als kind te kort gekomen is. Toch geeft de totale afwezigheid van een christelijke achtergrond mij het gevoel te praten met iemand van een andere planeet. Overigens een zeldzaam intellect.”