Zomerspelen

Het Amsterdamse Bos hult zich in regensluiers. De bomen druipen. Even prikt een bleke avondzon door het tere gordijn van water. Er is hoop. Een klein publiek heeft zich - uitgerust met plastic capes en paraplu's - verzameld in het openluchttheater. Op de scène, die glimt van het regenwater, staat een groepje acteurs te overleggen. Een van hen komt voor het voetlicht om de uitkomst mee te delen: de voorstelling gaat niet door!

Het publiek is het er niet mee eens.

“Anders moeten we halverwege stoppen”, voorspelt de acteur.

“We blijven tot het bittere einde”, verzekert een toeschouwer.

Het zaad van de twijfel is opnieuw gezaaid. Wie beslist? De eerste druppels komen de acteur te hulp. Ik vertrek en deel het lot van degenen die hun plaats laten verregenen op de Parade, de Boulevard, Boven het IJ of op andere Festivals die de Hollandse zomer moeten doorstaan. De woordenwisseling klinkt nog na. Is het laatste woord aan de acteur? vraag ik me af. Stelt hij grenzen aan het avontuur? Bepaalt hij wanneer zijn illusie het van de werkelijkheid verliest? Theater in de openlucht moet kunst immers met de natuur en de buitenwereld verzoenen.

Jaren geleden zette ik de eerste aarzelende schreden om het bewijs te leveren. Het was augustus. Ik hielp mijn grootmoeder via een smalle plank een greppel over, naar het gemaaide grasland achter ons huis. Ik hoorde het zenuwachtige gesnerp van een leeuwerik, die steeds hoger steeg en oploste in de bleekblauwe hemel boven de duinen. Een schaap dat in de wei stond te grazen, keek naar ons en blaatte. 'Beeeehh!' antwoordde mijn grootmoeder met een tremolo in haar stem.

Mijn grootmoeder was actrice 1). In de zomer, als het werk in de stadsschouwburg stillag, kwam ze ons opzoeken in de provincie. Ze bereidde mij voor op het examen voor de toneelschool. Ik was uitgerust met de steel van een hark en een oud gordijn, die als staf en mantel dienst zouden gaan doen.

“Waar zullen we?” vroeg ik mijn grootmoeder. Ze wees naar de hooimijt. Een vork stond er rechtop ingestoken. Ze zakte door haar knieën en liet zich in de verende berg gedroogd gras vallen. Ik sloeg het gordijn om mijn schouders en nam de 'staf' ter hand.

“Nou begin maar”, spoorde mijn grootmoeder me vanuit het hooi aan. “Concentreer je. Doe het rustig en denk aan je adem. 'Adem is kleur,' zei je grootvader altijd.”

Ik verwijderde me een paar passen, nam een aanloopje en stopte met een onheilsgrimas op mijn gezicht voor de hooiberg:

“Ik groet, vorstin, u. Van bevriend man breng ik u En mede Aigisthos aangename tijdingen. Dood is Orestes ...”

Mijn grootmoeder onderbrak me. “Je bent een oude man. Je hebt een lange weg afgelegd. Je komt met verrassend nieuws. Dan kom je toch niet op alsof je gaat zeggen dat de thee klaarstaat! Doe het nog eens.”

Ik ging terug naar de veronderstelde coulissen en kwam opnieuw - nu wat krommer - aanhollen. Ik hijgde van vermoeidheid tussen de zinnen, die de Griekse vorstin een beeld moesten schetsen van de wagenrennen waarbij haar zoon, Orestes, was verongelukt.

“Hou maar op”, zei mijn grootmoeder na enige tijd. “Dit lijkt nergens op. Je raast over alle komma's en punten heen. Je doet alles op dezelfde graftoon.”

We begonnen opnieuw. Ik nam mijn startpositie weer in vlak bij de greppel, schikte mijn 'mantel', probeerde me mijn aankomst in een Grieks paleis voor te stellen en stak van wal. Ik worstelde me door de verzen:

“Hij ging tot Hellas' heerelijken wedstrijdpraal, Naar Delfoi, om daar mee te dingen naar den prijs.”

Het schaap was opgehouden met grazen en kwam nieuwsgierig naderbij. Het stond erbij als een debiel kind en blaatte. Toen ik in het vuur van het spel een stap naar achteren deed, liep ik tegen hem op. Ik verloor mijn evenwicht. Het ontging mijn grootmoeder, die met haar hand boven haar ogen naar me tuurde. Het schaap hapte naar mijn 'mantel' en beet erin. Ik probeerde het te negeren maar toen ik met een breed gebaar de denkbeeldige renbaan wilde aanduiden, gleed het gordijn van mijn schouders. Ik wist het nog net met mijn vrije hand vast te pakken.

“En om met korte woorden veel te zeggen: 'k weet Geen zegerijke daden van een tweede als hij”, ging ik verder en trok driftig aan het gordijn waarvan het schaap een punt in zijn bek hield.

“Ligt u lekker”, onderbrak de tuinman die langskwam. Mijn grootmoeder knikte en beduidde me door te gaan. De tuinman trok de vork uit de hooihoop en begon het in banen liggende gras te keren.

“Toen op den tweeden feestdag bij het opgaan der zon De snelgehoefde wedstrijd was in paardenkunst ...”

“Oehoe, ééééten!” klonk het in de verte. Het was het stemgeluid van mijn moeder dat over de duinen en tot in de polder reikte.

Ik aarzelde een moment en onderbrak mijn verslag van de Spelen. “Eten”, zei ik opgelucht.

“Geen sprake van!” klonk het bits. “Je stopt als ik het je zeg! Geen minuut eerder!”

Ik gaf het schaap een duw, herstelde mijn outfit en vervolgde: “Bronzen trompetgeschal, en dan renden zij vooruit. Hun paarden hitsend schudden met hun handen zij De leidsels ...”

“Oehoe, ééééten!”

... “Heel de renbaan vulde het gedreun Der ratelende wagens; hoogop wolkte het stof ...”

“Uw moeder roept, hoor”, waarschuwde de tuinman.

Het ontging mijn grootmoeder. Ze hoorde me aan alsof ze de Griekse koningin zelf was. Geen realiteit kon de illusie breken. Zelfs de regen had me niet kunnen verlossen.

Om plassen heen zoek ik mijn weg uit het Amsterdamse Bos. Achter de boomtoppen en de laaghangende wolken stijgt een vliegtuig. Het geluid achtervolgt me als het donkere gedreun van ratelende wagens.

1) Grootmoeder was Jacqueline Royaards-Sandberg.

    • Rense Royaards