Voorbij, voorgoed voorbij

Bij het kijken naar de film van Hans Keller over de Oostenrijkse schrijver Joseph Roth (1894-1939), die verleden maandag heruitgezonden werd, kreeg ik een soort heimwee naar het in 1918 ondergegane Oostenrijk-Hongarije.

Waarom? Ik heb dat keizerrijk nooit gekend, en in de staten waarin het is uiteengevallen, ben ik maar een paar maal geweest. Nee, het was een soort plaatsvervangende heimwee, een aftreksel van het heimwee waardoor Roth, die er geboren was en het wèl kende, verteerd werd.

Het viel me, bij het zien van de beelden die Keller gemaakt had, weer op hoeveel die steden waar Roth gewoond had, op elkaar leken, tot Brody, zijn geboorteplaats diep in Galicië, toe - bepaald door eenzelfde architectuur.

Dat was me overigens al opgevallen bij bezoeken die ikzelf had gebracht aan steden als Wenen, Praag, Bratislava, Boedapest en Ljubljana, hoofdsteden van verschillende volken, nu verschillende staten, maar allemaal grotendeels een Oostenrijkse sfeer ademend. Wanneer iemand als Roth, die zelf geen eigenlijke Oostenrijker, maar een Ostjude was, heimwee naar die sfeer had, kan het regime van vóór 1918 moeilijk onderdrukkend zijn geweest. Hij was en bleef trouwens vurig Oostenrijks monarchist, wat ook niet wijst op wrok jegens het verleden.

Als dat wèl het geval zou zijn geweest, zouden er in Praag ook niet nog standbeelden staan van keizer Frans-Jozef, terwijl er geen enkel meer staat van Stalin en andere Russische potentaten, die ook lang over de Tsjechen hebben geheerst.

En dan zou een Tsjechische schrijver als Pavel Kohout, die in 1977 uit zijn land verbannen werd, zich niet in Wenen hebben gevestigd, waar hij gedeeltelijk nog woont. Waarom? “Kijkt u maar uit het raam”, zegt hij tegen zijn interviewer (Der Spiegel van 19 augustus), “en u weet waarom. Vroeger zei ik altijd: Praag is als Wenen, maar mooier; Wenen is als Praag, maar het functioneert. Wij hebben ons hier altijd een beetje thuis gevoeld.”

Net zomin als uit Roths beschrijving van Midden-Europa als het “poëtische continent”, spreken uit Kohouts woorden haatgevoelens jegens de vroegere overheersers. Maar het zou verkeerd zijn daaruit politieke conclusies te trekken. Het is een heimwee naar iets wat voorgoed voorbij is, wat al in 1918 een gepasseerd station was.

Heel misschien zou Frans Ferdinand, die de oude Frans Jozef had moeten opvolgen, de andere volken van het keizerrijk - Tsjechen, Slowaken, Polen, Slovenen - eenzelfde autonomie hebben gegeven als de Hongaren sinds 1867 genoten, en Oostenrijk-Hongarije als federatie hebben gered. Het wordt wel gezegd - meestal op grond van zijn morganatische huwelijk met een Boheemse gravin. Maar het blijft theorie: hij werd in 1914 in Sarajevo doodgeschoten.

Waarschijnlijk was het toen al te laat. Die volken, vooral de Tsjechen, hadden onder Oostenrijks regime, een intellectuele en adminstratieve elite gekweekt, die zich niet lang genoeg zou vergenoegen met een tweederangsstatus, zelfs in de mildste vorm van Fremdherrschaft - net zomin als de Indonesiërs na de onafhankelijkheid van hun land lang genoegen zouden nemen met een Nederlands-Indonesische Unie onder koningin Juliana.

En dan was er nog het probleem van de Hongaren, die de aan hen toegewezen volken (Slowaken, Kroaten, Roemenen) heel wat harder behandelden dan de Oostenrijkers de volken die onder Wenen stonden (Tsjechen, Slovenen, Polen). En wat te doen met de Polen? Die zouden toch blijven streven naar eenheid met hun landgenoten die onder Duits en Russisch gezag stonden, en aldus de federatie in gevaar brengen.

Een gepasseerd station dus, al in 1914. En toen in 1918 - de Eerste Wereldoorlog was al bijna vier jaar aan de gang - de Amerikaanse president Wilson kwam met zijn 'veertien punten', die het recht van zelfbeschikking aan alle volken beloofden, was het maar een kwestie van een klein jaar of de volken van het oude keizerrijk zouden hun volledige onafhankelijkheid uitroepen.

Die onafhankelijkheid had echter ook haar eigen onrechtvaardigheden, want Midden-Europa is zo'n lappendeken dat het moeilijk was levensvatbare staten te vormen die zelf niet grote minderheden binnen hun grenzen hadden. Hongarije, niet Oostenrijk (dat tot zijn Duitstalig stamvolk gereduceerd werd), werd kind van de rekening, want er kwamen bijna net zoveel Hongaren binnen als buiten de grenzen van Hongarije te wonen.

Een bron van interne en externe spanningen dus, waarvan Hitler later gretig gebruik zou maken. Bovendien: door de desintegratie van Oostenrijk-Hongarije was er in Midden-Europa geen grote mogendheid meer die als tegenwicht tegen een expansionistisch Duitsland zou kunnen fungeren. Dat was de voornaamste reden waarom de Franse historicus Jacques Bainville zo tegen “Versailles”, waar dit allemaal uitgedokterd was, fulmineerde.

Tevergeefs fulmineerde, want eenmaal losgebroken honden laten zich niet dan onder dwang weer samen in één hok drijven. En die dwang kwam pas met de Russische legers in 1944/45. Toen ontstond er weer een soort eenheid in Midden-Europa, maar niet van Midden-Europa. De staten hadden niet hun zelfstandigheid aan elkaar, maar aan de Sovjet-Unie verloren.

En toen ze, bij het uiteenvallen van het Sovjet-rijk, die zelfstandigheid herwonnen, waren ze niet van plan die zo gauw weer op te geven, ook niet aan elkaar. Het dromen in 1989 over een Midden-Europa is vooral een dromen van Westerse intellectuelen geweest, aangemoedigd door een enkele Midden-Europeaan, zoals de Tsjech Havel en de Hongaar Konrad.

Even hebben de opnieuw zelfstandige staten Tsjechoslowakije (toen nog één), Hongarije en Polen toegegeven aan die dromen en in het Hongaarse Visegrád een verbond gesloten, waaraan trouwens toen al de Polen slechts schoorvoetend meededen. Sindsdien is die gedachte niet verder uitgewerkt. De Tsjechen, onder de no nonsense premier Klaus, moeten er nu helemaal niets van weten. Het is dus enigszins bezijden de realiteit wanneer in Nederlandse stukken nog steeds over de Visegrádstaten gesproken wordt. Nee, de eenheidsdroom is voorgoed voorbij. Wat rest is heimwee.

De politicoloog Arnulf Baring heeft wel gelijk wanneer hij in de Frankfurter Allgemeine van 21 augustus over het Oostenrijk van vóór 1914 schrijft: “Dankzij een gedisciplineerde bureaucratie en de klamp van het leger heeft het, zowel in het economische als vreedzame samenleving van nationaliteiten en godsdiensten, een Europese taak vervuld, waarvoor het niet altijd dank heeft geoogst en die pas achteraf door de geschiedenis wordt gerechtvaardigd.” Zo is het. Eergisteren was niet over de hele linie slechter dan gisteren of zelfs vandaag en misschien morgen.