Tussen de schepen zwemt van alles; Eerherstel voor een vergeten genre uit de Gouden Eeuw: het zeestuk

Het zeestuk is tegenwoordig veel minder populair dan stillevens, landschappen en andere genres uit de Gouden Eeuw. Misschien zal een expositie van 110 zeegezichten in museum Boijmans van Beuningen daar verandering in brengen. “Tegen de tijd dat de winterstormen aanbreken, zal Rotterdam zijn ondergedompeld in bruisende schuimkoppen, woedende watermassa's, fabelachtige zeemonsters en ontploffende oorlogsbodems.”

Lof der Zeevaart. Nederlandse zeeschilderkunst in de zeventiende eeuw. 22 dec. t/m 23 febr. in Museum Boijmans van Beuningen, Museumpark 18. Rotterdam. Bij de tentoonstelling verschijnt een Engelse, Nederlandse en Duitse catalogus. Na Rotterdam is de tentoonstelling te zien in het Altes Museum in Berlijn. Het Rijk van Neptunus. Zeevaartprenten in de Gouden Eeuw. 21 dec. t/m 30 mrt. in Maritiem Museum Prins Hendrik, Leuvehaven 1, Rotterdam. Maritiem-historische tekeningen uit de zeventiende eeuw. Vanaf eind mrt 1997 in het Nederlands Scheepvaartmuseum, Kattenburgerplein 1, Amsterdam.

Dit schilderij gaat over machtige schepen die de zeeën bedwingen, maar wie er recht voor staat kijkt in een stapelwolk. Ruim drie meter breed is het panoramische zicht op het IJ met het beroemde vlaggeschip De Gouden Leeuw dat Willem van de Velde de Jonge in 1686 schilderde. Het is een van de belangrijkste werken van maritieme schilderkunst uit de zeventiende eeuw, maar in de vaste opstelling van het Amsterdams Historisch Museum hangt het er bij als een ongelukkige anekdote. Het zwaar gecraquelleerde reuzendoek wordt gebruikt als toelichting op de geschiedenis van Amsterdam als handelsstad. Om de uitbundig versierde achtersteven van De Gouden Leeuw te bekijken en het bos van wiebelige masten aan de horizon, moet je ver door je knieën zakken. Dan pas kun je ook zien wat Van de Velde de mannetjes in hun ontelbare sloepjes en scheepjes laat uitspoken en hoe hij zon en schaduw op het deinende water weergeeft. En dan ook glijdt je blik naar foto's van KLM-vliegtuigen op Schiphol, die ernaast hangen. Het Amsterdamse verleden afgezet tegen het heden, daar gaat het hier om in de eerste plaats, niet om de kunst.

De presentatie van Van de Velde's Het IJ voor Amsterdam met de Gouden Leeuw is exemplarisch voor bijna alle scheepsgezichten, stormen, strandjes en zeeslagen die aan het eind van de zestiende en in de loop van de zeventiende eeuw werden geschilderd. Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam en het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam hebben schitterende prenten en schilderijen in hun collecties. Maar wat er in de vaste opstelling aan beeldende kunst wordt getoond, dient als illustratie, als aanvulling op de zeegeschiedenis.

Na een bezoek aan het Scheepvaartmuseum in Amsterdam weet ik precies wie tegen wie vocht tijdens de slag bij Sluis en hoe het ook alweer zat met de afsluiting van de Schelde. Maar over de datum waarop Hendrick Vroom zijn bizarre stapeling van schepen schilderde en over de vraag waarom hij toch dat typische diepzee-blauw koos voor het koude Vlaamse binnenwater, word ik niets wijzer. En zo gaat het, zaal na zaal, door. Dit is het domein van maritieme historici en scheepsbouwers. Voor kennis over kunstenaars die het Nederlandse zeevaart-verleden tot hun specialisme maakten, over hun stijl en werkwijze, hoef je hier niet te komen. Maar waar dan wel?

Zonder water valt de Gouden Eeuw niet voor te stellen. Over zee kwamen de dikbuikige driemasters van de Oost- en Westindische Compagnieën aangevaren, beladen met kostbare stoffen en specerijen. Op zee werden tegen de Engelsen en de Spanjaarden overwinningen gehaald, die de Hollanders trots en zelfbewust maakten. En uit zee kwam het voedsel, de zich razendsnel vermenigvuldigende haring. Amsterdam groeide in de eerste helft van de zeventiende eeuw uit tot belangrijkste stapelmarkt van de wereld. Rotterdam was als havenstad in opkomst, Hoorn, Medemblik, Middelburg, Purmerend en Dordrecht waren belangrijke handelsplaatsen aan het water. Vondel verwoordde de Nederlandse euforie in 1631: 'Wat watren worden niet beschaduwt van haar zeilen? Op welcke marckten gaat zij niet haar waren veilen? Wat volcken zietse niet beschijnen van de maen; zij die zelf wetten stelt den ganschen Oceaan?'

Het is dus niet raar dat het zeestuk zich aan het eind van de zestiende en begin van de zeventiende eeuw als apart genre in de Nederlanden ontwikkelde. Wel raar is dat het zeestuk, en dan met name het zeventiende-eeuwse, tegenwoordig zo weinig belangstelling geniet. Over landschappen, bloemstillevens en dierstukken zijn de afgelopen jaren talloze tentoonstellingen georganiseerd en publicaties verschenen. Maar voor een overzicht in Nederland van de schilders van zeeslagen, schepen, 'Zuiderzeetjes', 'stille watertjes', en 'strandjes' moet je terugbladeren naar een tentoonstellingscatalogus uit 1964. Het meest recente en standaardwerk over maritieme schilderkunst van Laurens Bol dateert uit 1973 en is allang uitverkocht.

Zijn zeventiende-eeuwse marines te saai geworden?

Rafaël van de zee

Nee, zegt Jeroen Giltaij, hoofdconservator Oude Schilder- en Beeldhouwkunst van museum Boijmans van Beuningen. Maar ook hij kan niet verklaren waar de geringe belangstelling voor het zeestuk in Nederland vandaan komt. Vijf jaar geleden besloot hij een tentoonstelling te organiseren waarin de artistieke aspecten van het zeestuk voorop staan. De schilderijen zouden worden bevrijd van hun benauwde historische sfeer en gepresenteerd als schilderij tussen schilderijen. Giltaij zocht contact met de Duitse kunsthistoricus en Simon de Vlieger-kenner Jan Kelch, van Museum Dahlem in Berlijn, en de twee besloten tot samenwerking.

Inmiddels kan Giltaij lyrisch vertellen over de zeeschilders. Over hoe meesterlijk bij Jan Porcellis, 'de Rafaël onder de zeeschilders', het onderscheid tussen water en lucht vervaagt. Over de briljante composities van de laat-zeventiende-eeuwse Van de Velde, die volgens hem met Vermeer te vergelijken is. Over de vreemde diagonale lijnen in zijn spektakelstukken, de sublieme lichtval op zee. Over de 'verwatering' in het genre aan het eind van de zeventiende eeuw, als het Hollandse zeestuk onder invloed van het Franse classicisme steeds meer mediterrane trekken krijgt.

In december zal Museum Boijmans van Beuningen een overzicht presenteren van 110, veelal gigantische, zeestukken uit de zeventiende eeuw. Niet alleen wegens het formaat van de geëxposeerde schilderijen zal de tentoonstelling spectaculair ogen - het breedste doek, van Cornelis van Wieringen, meet bijna vijf meter -, ook het feit dat voor het eerst in zoveel jaren de belangrijkste zeestukken uit de Gouden Eeuw bij elkaar te zien zijn, is zal zorgen voor een bijzonder retrospectief, dat later in Berlijn te zien zal zijn.

Er zullen zelden uitgeleende bruiklenen uit Nederlandse musea naar Rotterdam komen, zoals Van de Veldes Het IJ voor Amsterdam met de Gouden Leeuw uit het Amsterdams Historisch Museum en Hendrick Vrooms Schermutseling tussen Staatse en Engelse troepen uit het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Maar ook buitenlandse musea staan bruiklenen af: het National Maritime Museum in Greenwich liefst twaalf, het Kimberley Art Museum in Texas één - een Jacob van Ruysdael - en de Hermitage in St. Petersburg ook één, een groot zicht op Rotterdam van Simon de Vlieger. Alle belangrijke meesters van de eeuw zullen met minimaal vier werken vertegenwoordigd zijn: te beginnen met Vroom en Van Wieringen, via Porcellis, Van de Capelle en De Vlieger, naar Van de Velde de Oude en de Jonge, om te eindigen bij Backhuysen en Storck. Een speciale afdeling zal worden gewijd aan de zogenaamde 'penschilderijen', Oostindische inkt-tekeningen op doek, waar onder anderen Willen van de Velde de Oude in uitblonk. In het prentenkabinet zullen nog eens zeshonderd technische scheepstekeningen van Van de Velde uit het eigen bezit van Boijmans van Beuningen worden tentoongesteld.

Ter gelegenheid van de Lof der Zeevaart, zoals de expositie zal heten, gaat het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam een selectie van circa vijftig prenten over de zeevaart in de Gouden Eeuw tonen. Ook het Scheepvaartmuseum in Amsterdam zal een keuze uit z'n prenten exposeren. Tegen de tijd dat de winterstormen aanbreken, zal in ieder geval Rotterdam zijn ondergedompeld in bruisende schuimkoppen, woedende watermassa's, fabelachtige zeemonsters en ontploffende oorlogsbodems.

Verlossing

In het Hof van Eden was geen zee en geen oceaan, waren geen bergen en geen dalen. De wereld was perfect rond, een spiegelgladde bol. Het landschap in het Paradijs leek misschien wel wat op het Nederlandse laagland in een mooie lente, met groen golvend gras zover je kon kijken en een azuurblauwe hemel daarboven. Maar na de zondeval ging het mis, en God ontketende de zondvloed. Toen de watervlakten zich uiteindelijk terugtrokken, was de aarde niet langer perfect. Ze was een gigantische wrat geworden met ordeloze bergen en kolkende watermassa's.

Zou Johannes daarom op een van de laatste bladzijden van zijn Openbaring schrijven: 'Ik zag hoe een nieuwe hemel en een nieuwe aarde ontstonden. Want de eerste hemel en aarde vergingen, en de zee was er niet meer'? Eindelijk konden de godsvruchtigen opveren. De zee, die herinnering aan de Zondvloed en de zondeval, is weg, verdwenen, in nevel opgelost. De wereld is dan van de zee verlost.

In zijn boek Het verlangen naar de kust (1988) toonde de Franse historicus Alain Corbin hoe dit negatieve beeld over de zee schrijvers en wetenschappers in Europa tot aan de zeventiende eeuw in de ban hield. Tot die tijd zul je op prenten en tekeningen dan ook nooit de zee afgebeeld zien als iets moois, lieflijks of indrukwekkends. Nee, de de zee was een vehikel voor een moralistische les, een oord van verderf en misvorming.

In het Maritiem Museum Prins Hendrik zal vanaf december onder andere een aantal van die vroege, zestiende-eeuwse prenten te zien zijn. In het moderne museum aan de oude Leuvehaven laat de bibliothecaris er nu alvast een twintigtal zien. Telkens als je een van de levensgrote passe-partouts waarin de gravures zitten opgeborgen, openslaat, voltrekt zich een klein wonder. Wat een rijkdom aan details, wat een prachtige hersenspinsels staan er op deze gravures. Vooral de serie die Frans Huys omstreeks 1570 naar Pieter Bruegel de Oude maakte is bijzonder.

Twee galeien en een grote driemaster zijn slechts aanleiding om de val van de overmoedige Phaëton weer te geven, die door Zeus uit zijn hemelkoets wordt gebliksemd. En ook de grote driemaster op een andere 'Brueghel'-prent is bedoeld om aan het verhaal van Icarus' val een originele wending te geven. De kijker verveelt zich geen moment. Tussen de schepen drijft en zwemt van alles: grillige rotsblokken, een zwaan met een onnozel mannenhoofdje, een monsterachtige vis die regelrecht afkomstig lijkt uit een middeleeuws bestiarium. En over het perspectief blijf je je verbazen. Bij 'Brueghel' kijk je van bovenaf het schip in, van onderaf tegen Icarus' vader Daedalus aan, en recht op de horizon: en dat allemaal op één blad.

Hetzelfde curieuze perspectief vind je terug bij de eerste schilder die van de zee zijn specialisme maakte: de Haarlemmer Hendrick Vroom (1566-1640). Ondanks zijn onmogelijke karakter en het feit dat hij te veel geld vroeg voor zijn doeken, is Vroom een beroemd schilder geweest in de Nederlanden. Bijna ieder scheepvaart- en historisch museum bezit wel een paar werken van hem, en ook in het Frans Halsmuseum in Haarlem en het Rijksmuseum in Amsterdam hangt Vroom op zaal.

Poedeltje

Bij Vroom, zo blijkt, zijn de zeemonsters en allegorieën definitief van het zeeoppervlak verdwenen. Maar of hij daarmee ook een naturalistischer kunstenaar dan zijn voorgangers genoemd kan worden, nee, dat niet. Z'n opvallende, en door z'n leerlingen veel gekopieerde, diepe groenblauw verleent een sprookjesachtig effect aan het water, alsof er in die dieptes dingen verborgen zitten waar je je als mens nooit een voorstelling van zou kunnen, zou willen maken. En met dat water, die eeuwig deinende massa, weet Vroom eigenlijk geen raad. De golven die hij schildert zijn als de krullen van een pas getrimd poedeltje, keurig gelijnd en ritmisch in elkaar overlopend. Zo ziet de zee er niet uit, want wind waait nooit overal even hard.

Ook met Vrooms composities is iets merkwaardigs aan de hand. Zijn horizons kiest hij onveranderlijk hoog en in de ruimte die vrijkomt stapelt hij plaatjes van schepen. Je oog dwaalt van het ene naar het andere rijk betuigde en vaak in gevechtshandelingen verwikkelde schip. Achter, boven, op en naast elkaar liggen de boten geordend, bijna zoals op dertiende- en veertiende-eeuwse panelen en wandkleden de appel, de boterham, de lepel en de wijnkelk voor de apostelen gerangschikt zijn tijdens het Laatste Avondmaal. Vroom had graag de dynamiek van een zeegevecht willen weergeven, anders had hij niet zo veel strak opbollende zeilen geschilderd en zo veel elkaar de boeg afsnijdende schepen. Zijn zeegezichten blijven stillevens, mooi maar statisch.

De dynamiek op zeestukken springt pas in de loop van de zeventiende eeuw in het oog, met de atmosferische schilderijen van Jan Porcellis (1584-1632) en Simon de Vlieger, waarin de elementen water en lucht de hoofdrol spelen, en met de enorme zeestukken van De Vliegers leerling Willem van de Velde de Jonge (1633-1707). Bij Van de Velde bereikt het zeestuk in de Gouden Eeuw zijn definitieve hoogtepunt. Hij smeedt aaneen, waarvoor Vroom, De Vlieger en Porcellis de aanzet hebben gegeven.

Van de Velde's zeeën zijn woest of stil, grauw of zilver, al naar gelang de weersomstandigheden. Zijn wolkenluchten zijn reusachtig, zijn schepen en de bezigheden van de zeevaarders zijn tot in de details uitgewerkt en afgebeeld. Er is één verschil: Van de Velde weet dat je het beeld van duizend schepen geloofwaardiger kunt oproepen door er vijf minutieus te schilderen en de resterende 955 te beperken tot mast en wimpel. Dat wist Vroom nog niet. Die bezag elk deel van zijn omgeving als gelijkwaardig en kon geen keuzes maken.

Van de Velde kon dat wél, en hij deed het zo overtuigend dat in zijn schilderijen alles klopt: de wind blaast altijd van één kant, schaduwen nestelen zich op plekken waar geen licht kan komen, de schepen glijden over zichtassen naar de horizon die zich op ooghoogte voor de kijker uitstrekt. Het lijken simpele zaken nu, maar dat waren het toen niet.

Anders dan in Italië, waar de doge van Venetië ieder jaar symbolisch in het huwelijk trad met de Adriatische Zee, sloot Nederland nooit een huwelijk met de Noordzee. Daarvoor stonden land en water elkaar te zeer naar het leven. Maar op de schilderijen van Van de Velde ga je dat toch soms geloven. Deze driemasters gaan niet langer de strijd aan met het water, ze hebben een innig verbond met het water gesloten tegen het reusachtige uitspansel.