Michelangelo

In het CS van 9 augustus heeft Gary Schwartz een fascinerend artikel geschreven onder de titel 'Cupido's ballen'. Het gaat over twee kenners van Michelangelo. Elk ontdekten ze een ander bloot beeld dat ze toeschreven aan de grote meester. De een wordt voornamelijk gedreven door winstbejag, de ander door wetenschappelijke ambitie.

Beiden krijgen op een verschrikkelijke manier ongelijk. Hoe kun je zo stom zijn, zeker wanneer van beide beelden de ballen niet kloppen, vraagt Gary Schwartz zich af en de lezer denkt 'wat een vak, het kunstkennerschap' of 'wat zullen die beide geleerden ongelukkig zijn geworden'.

Ik wil hieraan toevoegen, dat ook kunsthistorici die wel een echt beeld van Michelangelo ontdekken zich daardoor erg ongelukkig en eenzaam kunnen voelen. Het is het verhaal van Margrit Lisner uit Freiburg. Ze werkte als een soort Hauptmittelunterassistentin aan de universiteit, maar behalve dienstbaar te zijn aan haar hoogleraar had ze ook eigen wetenschappelijke ambities, al werden die niet op prijs gesteld. Zij deed onderzoek naar gebeeldhouwde crucifixen in Florence. Van oudsher was bekend dat Michelangelo er in zijn jeugd één had gemaakt. Maar dat beeld was zoek. Alle specialisten hadden intens maar vergeefs gezocht.

Michelangelo-kenners waren althans toen doorgaans niet de aangenaamste collegae. Het was net alsof ze hun ego's probeerden te vullen met de monumentale allure van de kunstenaar die ze bestudeerden: 'Men with the wrong balls.'

Margrit Lisner ging ook op zoek en vond in de herfst van 1962 het beeld in het klooster van S. Spirito, waar het in zestiende-eeuwse bronnen al was vermeld. In de Kunstchronik van januari 1963 rapporteerde ze haar vondst. Daarop volgde een klopjacht op de bedeesde Margrit. Ze had op zijn minst haar vondst moeten melden aan de directeur van het Duits Instituut in Florence, het belangrijkste kunsthistorische centrum ter plaatse. Dat had ze niet gedaan, omdat het niet nodig was maar ook omdat ze bijna zeker wist dat ze dan haar vondst kwijt zou zijn. De directeur van het Instituut en andere knarsentandende kenners van overal meldden dat dit natuurlijk niet het crucifix van Michelangelo was. Wat dacht zo'n Lisner wel. De toegang tot het Duits Instituut werd haar ontzegd. Gelukkig bood de toenmalige directeur van het Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut in Florence, wijlen mevrouw Fernanda Bramanti-Nieuwenkamp, haar onderdak. Zo hebben een aantal Nederlandse kunsthistorici in die jaren een aardige, bescheiden en bijzonder erudiete collega in 'hun' instituut leren kennen.

De directeur van het Duits Instituut heeft het er zijn leven lang niet bij laten zitten. Vijftien jaar later publiceerde hij een artikel in het gerenommeerde vakblad The Burlington Magazine, waarin hij het crucifix van de S. Spirito toeschreef aan de non-descripte kunstenaar Taddeo Curradi.

Inmiddels hing het crucifix allang in het huis van Michelangelo, de 'Casa Buonarotti' in Florence, waar het door kenners en liefhebbers wordt bewonderd als een meesterwerk van de jonge Michelangelo.

Over het kruis veroorloof ik mij geen mening.