Met een koffer vol stenen het toneel op; Gesprek met acteur Bert André

Een acteur is iemand die 'ijzersterke verhalen' vertelt aan anderen, vindt Bert André. Hij speelt komend seizoen ondermeer de hoofdrol in Othello, onder regie van Franz Marijnen, en treedt op met een monoloog van Beckett. “Ik weet dat ik bonkig en schonkig ben, nee, niet bepaald een hinde.”

Oresteia van Aeschylos gaat op 12 okt. in première; Othello op 25 mrt, beide in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg, Brussel. Regie: Franz Marijnen.

'Een karakterspeler': bij het afscheid in 1966 van de Antwerpse toneelschool kreeg acteur Bert André (Maastricht, 1941) deze aanbeveling mee. Hiermee moest hij het zijn verdere artistieke leven zien te rooien.

Dus geen jeune premier, geen acteur die moeiteloos, omdat hij jong en slank en knap is, meteen halverwege zijn twintigste al Hamlet of Romeo speelt, en daarna de glansrijke hoofdrollen in Molière, Goldoni, de Grieken, andere Shakespeares zal gaan vertolken. Nee, eerder een acteur op het tweede plan: niet Koning Lear, wel zijn nar.

Een karakterspeler beweegt zich in dat schemerige gebied op de speelvloer waar de ogen van de toeschouwers niet als vanzelf door het licht heen gestuurd worden. We moeten hem zoeken, hij beweegt zich onopvallend. Maar heeft de toeschouwer Bert André eenmaal gevonden, dan is het moeilijk hem weer los te laten; hij is een acteur naar wie je blijft kijken.

Bert André heeft er geen nacht van wakker gelegen dat hij een karakterspeler zou zijn. Bovendien, nu hij op zijn vijfenvijftigste jaar het dertigste seizoen tegemoetgaat, blijkt hij zich ontwikkeld te hebben tot een acteur van het eerste plan, en speelt hij behalve de koorleider in de Oresteia ook de titelrol in Othello, beide geregisseerd door Franz Marijnen voor de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. In dertig jaar tijd heeft hij meer dan honderdvijftig rollen gespeeld bij zo'n twintig gezelschappen. Vele daarvan zijn inmiddels verdwenen, zoals Mannen van de Dam en het Groot Limburgs Toneel.

De herinnering aan het aanbevelingsbriefje stemt hem nog altijd hilarisch. Thuis, in zijn huis in Antwerpen, zegt André: “Ik weet dat ik bonkig en schonkig ben, dat ik 1,86 meter ben, nee, niet bepaald een hinde.” Hij heeft de dwingende, alerte en tegelijk verbaasde ogen als op de portretschilderijen van Charley Toorop. De vorm van het hoofd moet een kolfje naar de hand van deze schilderes zijn geweest; de geprononceerde kin, de ronde, wat opwippende neus en daarboven een welvend, majestueus voorhoofd.

Bert André acteert nooit 'op mooi'. In De emigranten bijvoorbeeld, een toneelstuk van de Poolse schrijver Mrozek, toonde hij geheel volgens de regieaanwijzingen van de schrijver zijn blote, grote voeten aan het publiek, reepjes eelt eraf trekkend. Hij is een zachtmoedig acteur, die bij ruzie tijdens de repetities of achter de coulissen de vingers het liefst in zijn oren stopt.

In de monoloog Eerste liefde, naar een novelle van Samuel Beckett, waarmee hij nu al twee seizoenen op de planken staat, toont hij echter een heel ander aspect van zijn stijl: kwaad, hard, verongelijkt. “Die naamloze man in dat liefdesverhaal is een verbeten gelijkhebber. Iedereen heeft ongelijk, een vrouw heeft hem een peer gestoofd, dus alle wijven hebben het bij het verkeerde eind. Er zijn van die mensen die aldoor hetzelfde verhaal vertellen; dat heeft iets beangstigends en die angst voor zulke mensen wilde ik overdragen aan het publiek. Kom je zo iemand op straat tegen, blijk je ineens tot je eigen verbazing een oneindig grote belangstelling voor een korsettenwinkel aan de dag te leggen. Aan het slot van de voorstelling verdwijnt de man door een deur op het podium. In al zijn verbittering zoekt hij opnieuw publiek. Ik laat van hem een wrede, onsentimentele kant zien.”

Antwerpen

Het is aan de topografie van Antwerpen te danken dat Bert André bij het toneel terechtkwam. Eigenlijk zocht hij, de jongste zoon van een hoofdonderwijzer en zojuist afgezwaaid op de kweekschool, werk als onderwijzer in Antwerpen. Maar de school bleek gesloten, iemand verwees hem naar een andere school, de latere, beroemde Studio van Herman Teirlinck. De volgende dag mocht hij auditie komen doen met de monoloog van de wachter uit Aeschylos' Oresteia. Met nog iemand werd hij aangenomen. “Ongetwijfeld niet vanwege mijn kwaliteiten”, verklaart André verontschuldigend, 'maar omdat ze leerlingen nodig hadden. Toch, toen ik eenmaal aan het spelen was, wist ik het zeker: 'Dit is wat ik wil.' ”

“Net zoals Ingmar Bergman in De toverlantaarn beschrijft, was ik als kind in de schouwburg altijd razend benieuwd naar wat zich links en rechts en achter de gordijnen van het podium afspeelde, die geheime wereld tussen de coulissen. Niet wat ik zag intrigeerde me, maar wat ik niet zag. Ik houd van het mysterie dat met toneel is verbonden.”

Ineens, ogenschijnlijk zonder aanleiding, ontsteekt Bert André in woede. Met vlakke hand roffelt hij op de tafel. Achter zijn voorhoofd begint het te gisten: “Gisteren kreeg ik het seizoensoverzicht van het een of andere gezelschap waarin keer op keer het woord 'vernieuwing' voorkwam, dat theater zich moet vernieuwen en al die onzin. Dat er zo vaak zo slecht over theater wordt gedacht, dat er 'miesj' over wordt gesproken, is vaak onze eigen schuld. Theater is geen kunst van de vernieuwing, theater loopt noodgedwongen altijd achteraan. De motor tot vernieuwing in de kunst is veel eerder afkomstig van de schilderkunst of architectuur dan van het theater. We moeten ons niet inbeelden tot de voorhoede te behoren. Als ik een voorstelling zie van Franz Marijnen dan wil ik er een van Marijnen zien, en niet een mij vreemde, 'vernieuwde' Marijnen. Ik wil zijn signatuur herkennen.

“Die klassieke toneelschrijvers hadden groot gelijk om behalve voor de jeunes premiers ook karakterrollen te schrijven. Een rol stelt ook zijn fysieke eisen. Het is onmogelijk om een Hamlet of Romeo door een haringwijf van negentig jaar oud en tachtig kilo te laten spelen, ja, natuurlijk, het kàn, en wie weet zal het eens gebeuren, maar ik ben ertegen. Dan is toneel alleen interessant als je het stuk kent, het zogenaamde commentaartoneel. Daar heb ik - en hier spreekt een wat oudere man met langzaamaan al valse tanden in zijn mond - een afkeer van. Het brengt de toeschouwers nodeloos in verwarring.

“Misschien hangt die eeuwige vernieuwingsdrang van het toneel samen met het tekort aan vaste kernen van acteurs en actrices binnen de gezelschappen. Franz Marijnen zou heel graag een eigen gezelschap willen, maar hij krijgt daar de gelegenheid niet toe. En Ger Thijs van het Nationale Toneel bij jullie, hoeveel vaste spelers heeft hij nou? Zijn het bijna niet allemaal gasten? Dus telkens moet het wiel opnieuw uitgevonden worden. Dat geeft onrust. Vroeger haalde een acteur de voorpagina als hij van gezelschap veranderde, nu is er een onophoudelijke beweging over en weer. Het is eenvoudigweg niet mogelijk een Othello te spelen als je geen titelrol in huis hebt, geen Jago en geen Desdemona. Dat levert voorstellingen op waarin Othello een pas afgestudeerde leerling van de toneelschool is. Dat kan niet; Othello heeft de rijping van de jaren nodig, dat maakt hem tot een dramatische rol. Het leeftijdsverschil tussen Othello en Jago kun je niet uitvlakken.”

Waakzaam

Bert André is een van de zeldzame acteurs die op de speelvloer een grote waakzaamheid uitstralen. Niet alleen spiedt hij scherp in het rond, aldoor op zijn hoede, ook is hij zich tijdens het spel bewust van wat hij doet. Hij speelt niet op de automatische piloot. In de derde voorstelling van Eerste liefde, gespeeld in de Rotterdamse Schouwburg, raakte hij het spoor bijster. Hij sprong heen en weer in de tekst, sloeg passages over. “Op zo'n ogenblik”, verklaart hij, “draait de computer in mijn hoofd op volle toeren. Ik probeer weer in de goede baan te komen, net als een raket die weer teruggebracht moet worden in zijn koers. De uiterste inspanning die dat kost geeft me vleugels. Ik wiekte door de schouwburg op de wolkjes van Becketts taal, tot ik weer de lijn van de tekst hervond. Ik speelde ondanks alles een voorstelling die niet beter gespeeld kon worden. Als je als acteur die waakzaamheid niet meer hebt, dan moet je ermee stoppen. Ik ken spelers die hun versprekingen niet eens bespeuren, dat is erg fout.

“Ik beschouw het als een privilige te mogen acteren, om mooie stukken te lezen, mooie voorstellingen te maken. Ik ben behept met een grenzeloze onzekerheid. Die geeft me aanleiding om de chaos als artistieke drijfveer te gebruiken. Al ben ik een volwassen belastingbetaler en een oppassende burger, op de speelvloer ben ik niet meer dan een knutselaar, een 'bricoleur'. In mijn koffer neem ik steentjes mee en daarvan bouw ik, na veel moeite en tal van instortingen, een muur. Ik heb prachtige collega's die meteen zo'n muur metselen. Ik niet. Ik moet tasten, zoeken, mij een rol zinnetje na zinnetje eigen maken, als Momfert de Mol stil mijn weg gaan in het vertrouwen dat een regisseur mij leidt. Ik kan ook niet in mijn dagelijkse kleren repeteren. Ik moet een mutsje opzetten of mijn overhemd binnenste buiten keren, andere schoenen aandoen. Pas dan kan ik mij transformeren tot een karakter. Ik neem vaak een hele loge aan kostuums mee, die ik een voor een uitprobeer.

“Een toneelspeler moet ook zijn bescheidenheid kennen. Sommige acteurs leven op bij elk conflict, ik ga conflicten uit de weg. Dat komt voort uit een diepgewortelde angst voor het werkelijke conflict, want is er eenmaal sprake van onenigheid, dan is de breuk voorgoed en definitief. Tot dan toe ben ik een en al zachtmoedigheid. Het woord 'compromis' staat in neonletters op mijn voorhoofd geschreven. Voor mij is een acteur iemand die ijzersterke verhalen vertelt aan anderen. Liefst met zoveel mogelijk opsmuk, rook en zo, toestanden, dat is Franz Marijnen wel toevertrouwd. Maar het kan ook heel eenvoudig, in een jutezak, in de kelder van een schouwburg.

“Ik heb toeschouwers nodig, er is iets in mij dat appeleert aan het beluisterd willen worden. Ik ben een spelende mens. Als die onzekerheid me klem dreigt te zetten, dan denk ik: 'Er is maar een Bart André op de vijf miljard mensen die deze zinnetjes zo kan uitspreken.' Daaruit put ik mijn troost.”

    • Kester Freriks