Kritische toon ontbreekt in portret Joan Miró

Kunst... omdat het moet: Eerbetoon aan Joan Miró, morgen, Ned.2, 0.37-1.31u.

Joan Miró (1893-1983), schilder, beeldhouwer, keramist neemt een unieke plaats in onder de beeldende kunstenaars van de eerste helft van deze eeuw. In de jaren twintig, na een extreem realistische periode, afgesloten met 'De Boerderij' (1929-1921), doen in zijn werk de karakteristieke kleine, dier-en mensachtige figuurtjes hun intrede, geschilderd in fel geel, rood, zwarten wit. Later schaarde Miró zich onder de banier van de surrealisten en dadaïsten.

De Catalaanse kunstenaar woonde en werkte afwisselend in Barcelona, Palma de Mallorca en in Parijs, waar hij zich na de Tweede Wereldoorlog op vele terreinen van de kunst manifesteerde. Miró maakte muurschilderingen, ontwierp theaterdecors, beoefende verschillende grafische technieken en vervaardigde keramiek en beeldhouwwerken (o.a. bronsplastieken).

In de documentaire van regisseur Robin Lough en kunstkenner Ronald Penrose uit 1978, morgenavond uitgezonden in de Tros-documentairereeks Kunst...omdat het moet zien we Miró, dan 85 jaar, nog volop aan het werk in zijn atelier in Palma de Mallorca. De talloze schilderijen, die overal in het atelier staan opgesteld, zijn stille getuigen van zijn enorme produktiviteit.

Ronald Penrose, al sinds de jaren dertig bevriend met Miró, portretteert de kunstenaar in voice-over commentaar en door middel van gesprekken die hij met hem voert over zijn werk en zijn vrienden zoals Picasso, Max Ernst, André Breton, Masson en Tanguy. Miró overleefde de meeste, in de documentaire kijken we naar een der laatste, nog in leven zijnde vertegenwoordigers van een tijdperk.

Dat alles zou voldoende moeten zijn voor een interessant uur televisie. Helaas roept de documentaire van zaterdagavond meer vragen op dan hij beantwoordt. Na afloop weten we dat Miró werkt en hoe hij werkt (de techniek van finger-painting was zijn uitvinding). “Hij werkt van vroeg in de ochtend tot 's avonds laat”, zegt Penrose op gedragen toon, en, met nadruk: “En in stilte.” Musea en galeries over de hele wereld houden van zijn werk, vervolgt Penrose zijn plechtig commentaar.

Niets komen we te weten over het privé-leven van de kunstenaar. Het intrigerende zinnetje over Miró's vlucht naar Parijs, ten tijde van het oprukkende fascisme in Spanje, krijgt geen vervolg. Miró was fel tegen het fascisme, zo luidt het commentaar, maar als zoon van een landeigenaar werd zijn leven bedreigd door de anarchisten en in 1936 vertrok hij wijselijk naar het buitenland. Daar zou je meer van willen weten, maar Penrose legt zijn oude vriend op geen enkele manier het vuur na aan de schenen. Beide heren scharrelen door het atelier, Penrose is één en al oor voor de uitleg van Miró over het in voorbeiding zijnde werk maar wezenlijke vragen worden er niet gesteld.

Veel laten zien en weinig zeggen. Wat bedoeld is als een eerbetoon aan een van de belangrijkste kunstenaars van deze eeuw is welbeschouwd haast beledigend van oppervlakkigheid. Penrose is in de eerste plaats vriend, en pas veel later interviewer.