IRENE VORRINK (1918 - 1996); Eigenzinnig politica

De woensdag op 78-jarige leeftijd overleden sociaal-democrate mr. I. Vorrink was van 1969 tot 1973 lid van de Eerste Kamer voor de PvdA, van 1973 tot 1977 minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne in het kabinet-Den Uyl en van 1978 tot 1979 wethouder van Amsterdam.

Irene Vorrink kwam uit een rood nest. Haar vader, Koos Vorrink (1892-1955) was voor de Tweede Wereldoorlog voorzitter van de SDAP en na de oorlog voorzitter van de PvdA. Vijf jaar lang was zijn dochter Irene, die gedurende de oorlog rechten had gestudeerd aan de - toen nog gereformeerde - Vrije Universiteit in Amsterdam, zijn secretaresse bij het partijsecretariaat in Amsterdam. Vervolgens ging zij juridisch werk doen. Eerst bij het GAK en later als griffier van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken, respectievelijk in Utrecht en Amsterdam. Vorrink stond bekend als een kundig juriste, maar bovenal als een eigenzinnige vrouw die heel recht toe recht aan zei wat haar meningen en opvattingen waren en voor niets of niemand bang leek te zijn.

Vorrink is kortstondig getrouwd geweest met de journalist Joop Zwart. Hun zoon Koos (1947) was in de jaren zestig een bekende, alternatieve verschijning in Amsterdam. Hij was redacteur van het blad Hitweek/Aloha, drugsdeskundige en spreker van de Beursberichten van drugs in het VARA-radioprogramma In de Rooie Haan.

De jaren 1969-1979 vormden het hoogtepunt van Vorrinks openbare en politieke leven. Nadat in mei 1973 een spoedig einde was gekomen aan het confessioneel-liberale, tweede kabinet-Biesheuvel, werd senator Vorrink gevraagd voor de post Volksgezondheid en Milieuhygiëne in het legendarisch geworden links-confessionele kabinet-Den Uyl, waarover in politiek Den Haag nog altijd met enige weemoed wordt gesproken. Veelal heeft men het dan over het eerste kabinet-Den Uyl, vergetend dat er nooit een tweede is geweest.

Minister Vorrink was de opvolgster van KVP-minister, dr. L.B.J. Stuijt. In het kabinet-Den Uyl was zij de enige vrouw en heeft zij zich dikwijls heel eenzaam gevoeld. De sfeer van de mannen-ministers, van wie er enkele stevige drinkers waren, karakteriseerde ze eens met een versje van Martinus Nijhoff: De buren gaan niet met mij om / Ik ben daar niet verwonderd om/ Ze vinden we wel aardig, maar / Ze zitten liever bij elkaar.

Wat de volksgezondheidssector betreft concentreerde de minister zich op de vraagstukken van drugs en abortus, waardoor ze flink in aanvaring kwam met KVP-minister Van Agt van Justitie omdat ze voorstander was van legalisering van zowel softdrugs als van een regeling voor zwangerschapsonderbreking. Met twee destijds geruchtmakende affaires (Bloemenhoven en Dennendal) had Vorrink rechtstreeks te maken. Wat de milieuproblematiek betreft, was de minister - herhaaldelijk bleek dat zij zich meer voor de grote lijn dan voor de details van het te voeren beleid interesseerde - heel erg optimistisch. Zo merkte zij in 1974 in een vraaggesprek met NRC Handelsblad op dat alle milieuhygiënische vraagstukken binnen tien jaar zouden zijn opgelost. Hoewel dat doel niet werd bereikt, meende Vorrink in een vraaggesprek in 1987 in het weekblad De Tijd te kunnen zeggen dat er na haar ministersjaren weinig milieuwetgeving meer was bijgekomen en dat wat er wel nog bij kwam, voor een groot deel al door haar in de steigers was gezet.

In de wereld van en rond het Haagse Binnenhof was Vorrink een soort alleengaander. Mede-ministers vonden haar een lastige tante en zij bleek eigenlijk bijna uitsluitend op haar politieke leider, Joop den Uyl gesteld te zijn, met wie zij zich in literair-cultureel opzicht sterk verwant voelde. Na haar ministerschap werd Vorrink de eerste vrouwelijke wethouder van de hoofdstad. Met gejuich binnengehaald als sterke rode pion uit Den Haag, wist zij haar functie in Amsterdam echter niet langer dan anderhalfjaar vol te houden. Gedurende die periode (1978-1979) had zij de zware portefeuille gezondheidszorg, ziekenhuiswezen, milieuhygiëne, hinderwet, keuringsdiensten van waren als ook kunst-en vrouwenzaken onder zich. Ze kon het fysiek niet aan. Vooral door haar beleid in het Surinaamse heroïneprobleem in Amsterdam riep zij veel tegenstand en kritiek op.

In 1979 keerde Irene Vorrink - 61 jaar oud - de politiek definitief de rug toe. In 1982 werd ze nog lid van de Sociale Verzekeringsraad, maar sindsdien is er weinig meer van haar vernomen. Woensdagavond overleed ze onverwachts op haar vakantieadres in Leek waarvan ze achttien jaar geleden in een vraaggesprek al zei dat ze zich daar wel zou willen terugtrekken om er sla te gaan kweken.