Het spook en de kwezels; De terreur van de goede smaak bij het Nederlands toneel

Bij het Nederlands toneel bestaat niet alleen consensus over wat artistiek toelaatbaar is en wat bij voorbaat de moeite waard, nee, het is veel erger, er heerst tirannie.

Op 29 augustus wordt het Theaterfestival geopend. Tot en met 8/9 zullen zeven van de tien geselecteerde voorstellingen te zien zijn in theaters in Amsterdam en Brussel. Inl. 020-6235104. De voorstelling Drie zusters kan nu niet worden hernomen maar zal in februari 1997 opnieuw te zien zijn in het nieuwe, eigen, theater van De Trust in Amsterdam.

Ooit heeft iemand gezegd: 'Een meneer op straat is iets anders dan een meneer op het toneel'. Aan wie we dat ware woord te danken hebben, weet ik niet, maar het is een houvast als er weer eens een nationaal debatje over de verhouding tussen kunst en werkelijkheid ontstaat. Of het nu gaat om de opgeblazen auto van beeldend kunstenaar Rob Scholte die wordt tentoon gesteld of het toneelstuk Srebrenica! van Ton Vorstenbosch en Guus Vleugel over het wedervaren van Dutchbat in voormalig Joegoslavië of - recentste stormpje - het voornemen van toneelschrijver/regisseur Ger Beukenkamp om een well made play op de planken te brengen over de gevolgen van een huwelijk van de kroonprins met een burgerjuf voor de constitutionele monarchie: altijd biedt dat aardige, gemakkelijk te onthouden zinnetje een uitweg uit hersenkrakende ethiek.

We hoeven ons niet vanzelfsprekend zorgen te maken over het antisemitisme van de personages in Frans Kellendonks roman Mystiek Lichaam, noch over Gerard Reves 'tjoeke-tjoekeboot naar takkie-takkieland' of de al te fraai in beeld gebrachte krachtsinspanningen van atleten in Triumph des Willens van cineaste Leni Riefenstahl of over het waarheidsgehalte van Jeroen Brouwers' Bezonken Rood: de werkelijkheid is iets anders dan de verbeelde werkelijkheid. Hoe realistisch - of nog gevaarlijker: zogenaamd realistisch - de kunstenaar ook tracht feiten te vatten in zijn werk, het blijft afgebakende, onderscheiden werkelijkheid.

Tussen de pendant in de werkelijkheid en de 'feiten' in een kunstwerk hangt altijd het ijzeren gordijn van de betekenisdragende ordening, van het thema, van het betoog zo men wil, van de verbeelding kortom. Pure nabootsing in de kunst bestaat helemaal niet; het gaat altijd om een visie, in de woorden van de negentiende-eeuwse schrijver Guy de Maupassant om een 'completere, pakkender, steekhoudender visie dan de werkelijkheid zelf'. De 'realistische' romancier die hij heette te zijn had in dit opzicht geen andere mening dan de romanticus Bullwer Lytton, die stelde: 'Kunst moet de natuur niet kopiëren maar verheffen'. ('Nature is not to be copied but to be exalted by Art'). De eerste wilde bij wijze van spreken wetenschapper zijn, registrator van feiten, de tweede wilde het leven juist met instinct, hartstocht, droom en herinnering te lijf, maar hun verschillende uitgangspunten voerden naar dezelfde conclusie.

Gesneden koek: we zijn immers op het punt beland waar we de geschiedenis van de toch voornamelijk negentiende-eeuwse strijd tussen beide standpunten riant kunnen overzien. Des te raarder is het dat mensen die beter kunnen weten blijven doen of deze strijd nog woedt. Onze staatssecretaris voor cultuur, Aad Nuis, die Ger Beukenkamp onlangs subsidie weigerde voor zijn koningsdrama, heeft last van die waan, maar ook mensen die hem bestoken met door de ganse kunstwereld ondertekende adhesie-betuigingen, tot behoud van met name toneelgroep Maatschappij Discordia.

Naar aanleiding van het negatieve oordeel van de Raad voor Cultuur over de prestaties en het belang van Discordia en het advies aan de staatssecretaris de subsidie-aanvraag voor de periode 1997-2000 niet (geheel) te honoreren, kwam er prompt een lobby op gang om het standpunt van 'de zelf sterk verdeelde Raad' onderuit te halen. In de brief, medio juni verzonden, wordt Nuis van gratis munitie voorzien om de slotsom van de Raad in zijn begroting en tijdens de debatten in de Tweede Kamer daarover, eind oktober, aan flarden te schieten.

Arthur Sonnen, directeur van Het Theaterfestival, en Paul Binnerts, dramaturg en publicist, zijn de schrijvers van de brief, waarin het wemelt van termen als 'uniek', 'verbluffend', 'volstrekt nieuw', 'zeldzame alertheid' en 'compromisloos'. Het zijn de toevluchtsoorden van wie overtuigen wil, al kan men over het effect van juist al te grote woorden zijn twijfels hebben. Maar het belang om de brief hier ter sprake te brengen, schuilt niet daarin: hoe krakkemikkiger de manier waarop een uitgeblust gezelschap als Discordia verdedigd wordt, des te liever het mij is. Nee, zinvoller is het zich te storen aan de parti pris waarop de schrijvers van de brief zich baseren.

Bij het Nederlandse toneel is het sinds jaar en dag gewoonte de mode te houden voor een uitgemaakte zaak. Er is niet alleen consensus over wat artistiek toelaatbaar is en wat niet, en evenzo over wat bij voorbaat de moeite waard is en wat per definitie waardeloos, nee, het is veel erger, er heerst tirannie. Zoals het gesubsidieerde toneel de neus optrekt voor de vrije produktie-sector, zo bestaat er een onuitgesproken maar duidelijke hiërarchie binnen het 'serieuze' (lees: gesubsidiëerde) toneel zelf. De regisseurs Hans Croiset en Peter Oosthoek staan door hun anciënniteit enigszins in de luwte, maar ongeacht zijn gevorderde leeftijd en staat van dienst kan Erik Vos rekenen op meewarigheid en zal Leonard Frank, anders dan zijn collega's Gerardjan Rijnders en Jan Joris Lamers, nimmer worden aangeduid als 'toneelleider'.

In hun brief tonen Sonnen en Binnerts zich trouwe dienaren van de terreur, die niet alleen kunstenaars indeelt in goede en kwalijke categorieën, maar ook in genres en stijlen. In het door de briefschrijvers opgestelde lijstje 'verdiensten' van Discordia lees ik: 'Discordia levert tot op de dag van vandaag een belangrijke bijdrage aan de afrekening met de hardnekkige erfenis van wat naturalisme en realisme heet. Waar de andere kunsten die vormen allang verlaten hebben, worstelt het toneel (vooral het gesproken toneel) nog altijd en steeds weer met het probleem van de 'afbeelding van de werkelijkheid' op het toneel. Hiertegenover stelt Discordia steeds de 'verbeelding van de werkelijkheid' en doet daarbij ook een beroep op de verbeeldingskracht van de toeschouwer.' Einde citaat.

'De hardnekkige erfenis van wat naturalisme en realisme heet' en daar dan de 'afrekening' mee: hoe onberedeneerd ook, de afkeer van Sonnen en Binnerts is duidelijk. En niet alleen hun particuliere afkeer, nee, de horreur jegens 'wat naturalisme en realisme heet' is wat de briefschrijvers betreft collectief. We snappen wel waarover ze het hebben. Ze kunnen volstaan met een impressionistisch verwoorde veroordeling, zonder nadere toelichting. De staatssecretaris en met hem u en ik - wij allen kennen de ellende van die zogenoemde hardnekkige erfenis; natuurlijk moet daarmee afgerekend worden, natuurlijk zijn realisme en kunst twee niet te verenigen zaken en natuurlijk hebben we Discordia nodig om ons te verlossen van het spook van het realisme en van het naturalisme, dat nog lelijker tweelingbroertje.

Maar eerder dan in het realisme of welke artistieke geloofsovertuiging dan ook zie ik een spook in het geklets van Sonnen en Binnerts. Het spook van de kwezelarij, van mensen die elkaar loven en prijzen, van de parti pris over hoe toneel zou moeten zijn en hoe het vooral niet moet zijn, van het akkoordje waarop de smaakmakers het met elkaar gooien. Met elkaar weten ze dat het ene genre goed is, en het andere per se niet, ongeacht de resultaten. De geestverwantschap uit de kroeg beschouwen ze als eeuwige waarheid en zichzelf als apostel. Ze kennen de grenzen van de goede smaak, bij voorbaat weten ze wat geprezen moet worden moet worden en wat verguisd. Een prachtige musical is niks waard, de eerste de beste voorstelling van de toneelleiders is een meesterwerk.

O ijdelheid van deze tijd, van iedere epoche of kliek die zichzelf heilig verklaart, voorwaar ik zeg u: niets is absoluut of definitief, en zeker niet in de kunst. God verhoede, dat men werkelijk zicht krijgt op de grenzen van de goede smaak. Het is het moment waarop de kunst zal sterven. De Maupassant zei: 'Je ne désire que d'avoir pas de goût'. 'Ik wil niets anders dan geen smaak hebben': als er dan toch iets definitief zou moeten zijn in de kunst, dan lijkt me dit adagium in aanmerking te komen.

Maar als we Sonnen en Binnerts moeten geloven hoort De Maupassant op de mestvaalt thuis, net als Flaubert ('Madame Bovary, c'est moi') en net als die andere kampioenen van het naturalisme Ibsen, Strindberg, O'Neill, Tsjechov.

Van het werk van deze en verwante schrijvers worden intussen elk jaar wel ensceneringen uitverkoren voor het Theaterfestival, van directeur Arthur Sonnen, dat volgende week weer gehouden zal worden. Deze keer is Drie Zusters van Toneelgroep Trust te zien, een beeldschone voorstelling die door regisseur Theu Boermans geheel en al in de traditie geplaatst is van de tijd waarin het stuk geschreven werd: het naturalisme. Zo te zeggen geobjectiveerde precisie in decor, rekwisieten, geluid en spel legt de ziel van de personages en van Tsjechovs bedoelingen bloot. Er is juist geen Seelenkotzerei, maar bijna afstandelijke analyse door een zo nauwgezet mogelijke kopiëring van wat spelers en regisseur zich hebben voorgesteld van de stemmen, bewegingen, de waarneembare buitenkant van Tsjechovs personages.

Naar de natuur, heet het dan. Maar de 'waarneembare' en door de acteurs 'opnieuw' zichtbaar te maken buitenkant kan nooit verder reiken dan hun eigen fantasie, opgewekt door de naturalist Tsjechov. En ook Tsjechov wist: een meneer op straat is hoe dan ook iets anders dan een meneer op het toneel. Op toneel ontstaat kunst - goed of slecht - maar in elk geval geen werkelijkheid. Tsjechov kon straffeloos en onverschrokken 'naturalistisch' zijn, precies zoals schrijvers Vleugel en Vorstenbosch en regisseur Gerardjan Rijnders hun visie op de werkelijkheid konden vorm geven zonder angst voor realisme.

In Boermans' enscenering bepalen historische kostuums, negentiende-eeuwse meubelen, en tijdloos ronddwarrelende herfstbladeren de toon. Er wordt een heuse samovar binnengebracht, en géén Blokker-theepot die er volgens de regels van de actualiseermode van een decennium geleden gestaan zou hebben. Slechts blinden van geest zien niet dat als er nu iets achterhaald is en 'reactionair' - ook zo'n term die in bepaalde kringen geen nadere toelichting behoeft - het de geforceerde modernisering is, het spel met de knipoog, het ik-doe-maar-alsof en het let-vooral-op-mij, mijn-personage-is-slechts-bijzaak.

Wat men evenmin inziet, is dat stilering - die ontkenning van het natuurgetrouwe, dat wat kunst kunst maakt - eenduidiger en daardoor slaapverwekkender kan zijn dan het gruwelijkste naturalisme. In de dagelijkse omgang praten mensen en handelen ze: precies, en niet meer dan dat, wat Tsjechov en in zijn kielzog Boermans de acteurs in Drie Zusters laten doen. Hun interpretatie is zo min mogelijk interpretatie, hun handelen en dialogen zijn slechts zo natuurgetrouw mogelijk. Psychologie (nog zo'n begrip dat bij het Nederlands toneel in een kwade reuk staat) komt er niet aan te pas.

Het publiek mag de psychologische structuur van de personages en van hun verhoudingen zelf destilleren, uit hun va-et-vient, hun buien, uit wat ze zeggen. Stilering is overbodig en een spotlight op een personage - ik noem maar iets simpels - zou zelfs een hinderlijk accent kunnen leggen. Om over acteurs die tonen, dat zij 'plezier (-) hebben bij het uitoefenen van hun vak' (ik citeer weer uit de brief van Sonnen en Binnerts) maar te zwijgen.

Niet alleen is dat plezier oninteressant - wie geen 'plezier' heeft, gaat maar iets anders doen; bovendien staat allerminst vast dat een acteur met plankenkoorts het slechter doet dan zijn collega die juichend van de pret het podium opstormt. Het ontaardt bovendien gemakkelijk in een obstakel. In hun lijstje 'verdiensten' schrijven de pleitbezorgers van Discordia dat 'de niet-realistische speelstijl (-) die door velen wordt nagevolgd, breekt met de 'inleving' en het publiek toegang (geeft) tot de voorstelling'.

Het gunstige verband tussen het acteren-zonder-inleving en grotere toegankelijkheid van de voorstelling ontgaat me niet alleen, het is zelfs precies omgekeerd. Waarom zou het publiek zich inleven in materie, waar de acteur zo duidelijk met zijn pet naar gooit? Die staat daar als zichzelf, in een smiespelend onderonsje met zijn collega's, zich inderdaad zichtbaar verkneukelend over het hutspotje aan scènes uit het wereldrepertoire, dat Discordia met zoveel gretigheid keer op keer ten beste geeft. Personages, scènes, handelingen - ze zijn allemaal niet van belang, de essentie is dat het toneelleider Jan Joris Lamers en zijn companen gerieft met hun radiante aanwezigheid de avond op te luisteren.

Dat zo langzamerhand niemand daar nog boodschap aan heeft, is geen probleem voor Sonnen en Binnerts. In navolging van de Discordia-leden zelf beweren ze glashard dat gebrek aan belangstelling nu eenmaal het lot is van voortrekkers. Jawel, dat zeggen de leden zelf ook. Het publiek is nog niet toe aan hun opperste avantgarde - die uiteindelijk natuurlijk door iedereen nagevolgd zal worden, en trouwens al nagevolgd wordt. Niet gehinderd door enig inzicht in de theatergeschiedenis die leert dat de Dada-geintjes van Discordia hopeloos ouderwets zijn in plaats van hypermodern, verklaart men het wegblijvende publiek doodleuk voor analfabeet: dat is nog niet rijp voor hoge kunst.

Het zou komisch zijn als deze verdwazing inmiddels niet zo'n 'hardnekkige erfenis' was. In een recensie (uit 1986) over een Discordia-voorstelling (Het Atelier, ook weer een voorgelezen tekstcollage uit het wereldrepertoire) lees ik: 'Met het lange haar voor zijn ogen, dwingt Lamers zijn trouwe makker (acteur Matthias de Koning - pk) tot de uitspraak, dat hij (Lamers) de beste toneelspeler van de wereld is. Verdwenen is de afstandelijke speelstijl van vroeger. Hier zit een regisseur, verstrikt in zijn herinneringen en in een totale depressie te tobben over zijn bestaansrecht in het theater'. Volgt over dit 'onthutsend eerlijk zelfportret' een lofzang, die perfect past in de postmoderne tijden van toen.

Maar die tijden zijn voorbij. Veel liever zie ik regisseurs die er blijk van geven te tobben over het bestaansrecht van het theater in plaats van over dat van henzelf. (Lossen ze trouwens het eerste probleem op, dan is het tweede ook uit de wereld.) Veel liever zie ik acteurs die, (het is vloeken in de kerk, maar vooruit) mét inleving, laten zien dat ze de beste van de wereld zijn, in plaats van dat over zichzelf te laten zeggen. Veel liever zag ik openheid en ontvankelijkheid, in plaats van kwezelarij en vooringenomenheid. Moet het realisme dood? Leve het realisme, in dat geval. Ik wens ons allen een mooi theaterseizoen.