Het gezang zit nog in de gewelfjes; C.O. Jellema over het kerkje van Fransum

C.O. Jellema schreef een gedicht over een Romaans kerkje op het Groningse platteland, dat wordt opgenomen in zijn in september verschijnende bundel. Volgens de dichter beschermt het kerkje het landschap. “Het respect dat men vroeger had voor de eigen omgeving is verdwenen en dat heeft ook te maken met het verdwijnen van het godsbesef.”

C.O. Jellema: Spolia. Uitg. Querido, 60 blz. Prijs ƒ 29,90. Verschijnt in september.

De dichter C.O. Jellema (Groningen, 1936) woont te mooi om er over te zwijgen. In het noorden van Groningen staat aan de rand van een klein dorp met uitzicht over een licht glooiend veld (dankzij een oude wierde, de Groningse variant van de Friese terp) een groot neo-classisistisch negentiende-eeuws huis met daarachter geen tuin maar een lusthof.

Het gedicht waar we, in de theekoepel onder de bomen, over praten, gaat over een verlaten Gronings kerkje, het kerkje van het gehucht Fransum. Op verzoek van de commissie die het kerkje heeft laten restaureren schreef Jellema er een gedicht over. Het wordt opgenomen in zijn nieuwe bundel, die in september verschijnt.

Kende u het kerkje al voor u dat verzoek kreeg?

“Ja, ik ken het al heel lang. Vroeger woonde ik er in de buurt, dan wandelde ik er 's avonds met de hond door de weilanden naartoe. Het kerkje ligt er vrijwel alleen, op een wierde, er staan een paar boerderijen in de buurt, maar er is geen dorp omheen. Het is een oud, piepklein Romaans kerkje dat vroeger bij een monnikenklooster hoorde, later is het protestants geworden, zoals alle oude kerken hier. Het wordt allang niet meer gebruikt. Ik ken het in alle jaargetijden en het is me heel dierbaar. Het ligt er zo eenzaam in dat mooie wijdse Groningse landschap.

Het gedicht begint met een vraag: 'Bestaat nog god' - waarom schrijft u god met een kleine letter?

“De voorstelling van god als een persoon is mij vreemd, met een kleine letter heb ik het gevoel dat ik het meer heb over god als een instantie. Als je het met een hoofdletter schrijft, lijkt het of het over iets benoembaars gaat, over een persoonlijke god. Om dezelfde reden heb ik ook de woordvolgorde omgedraaid - als je zou schrijven 'Bestaat God nog' lijkt het of je weet over wie je het hebt.

“Ik ben opgevoed met het bestaan gods. Zo'n kerkje, en de vraag is gericht aan het kerkje, is een getuige van het eens bestaan hebben van god, al was het alleen maar in de hoofden van de mensen. Daarom stuit het me nog altijd tegen de borst, ook al begrijp ik de noodzaak ervan wel, als zo'n kerk een profane bestemming krijgt. Als er toneel in gespeeld wordt gaat het nog, maar jazzconcerten waarbij gedanst wordt boven de zerken... Ik zou wel willen dat er meer respect betoond werd voor wat het voorgeslacht opbracht aan geloofskracht.

“Een bepaalde esthetiek speelt daarbij natuurlijk ook een rol. Aan een neogotische gereformeerde kerk in een dorp zou ik een dergelijke vraag nooit gesteld hebben.”

U maakt een vergelijking met de Griekse tempels in Paestum in Zuid-Italië. Wat heeft die met dit kerkje te maken?

“Ik was twee maanden voor ik dit gedicht schreef in Paestum en dat is een buitengewoon indrukwekkende plek. De tempels zijn nog vrijwel intact, onoverwinnelijk rijzen de zuilen op. Dan kan ik me voorstellen hoe mensen als ze daar kwamen van ontzag voor het bovennatuurlijke vervuld raakten. Maar dat is allemaal weg. En opeens dacht ik: het is een soort herhaling van wat daar ooit heeft plaatsgevonden, op dezelfde manier is het kerkje van Fransum verlaten. Het is natuurlijk als bouwwerk van een volstrekt andere dimensie, maar als betekenis niet.”

Zijn goden een soort vogels?

“Nu ja, goden horen toch ook in het luchtruim. Je zou kunnen zeggen dat wij de goden hebben verlaten, maar ook dat zij ons hebben verlaten. Dat is een voorstelling die me wel aanspreekt. Alsof ze, als vogels, zijn weggevlogen, maar ze zijn er toch nog, ze hebben zich teruggetrokken in een eigen domein. Ik kan mij geen wereld zonder goden of zonder god-met-een-kleine-letter, zonder godsinstantie, voorstellen.”

Toch wilt u naar dat bestaan vragen: 'bestaat nog god als ik naar hem vraag'. Die vraag lijkt bovendien met zichzelf in tegenspraak. Waarom zou hij alleen maar bestaan 'als ik naar hem vraag'?

“Dat is een paradox - maar een die ik niet wil oplossen door te psychologiseren, in de trant van: hij bestaat zolang ik hem benoem of als produkt van mijn geest. Ik ben op het ogenblik bezig Meister Eckhardt te vertalen en die schrijft: 'Ik besta omdat ik dat wil. Als ik niet zou willen zou ik niet bestaan en zou God ook niet bestaan'. Daarmee ontkent hij niet het objectieve bestaan gods.”

Niet? Het klinkt alsof hij dat wel doet.

“Nee. Hij probeert steeds verder te gaan met het benoemen van god, maar elke benoeming is een inperking die het eigenlijke niet treft, dat ziet hij in. Je kunt er alleen met een paradox iets over zeggen. Verder zou ik ook eigenlijk niet willen gaan.”

In de volgende strofe gebruikt u het woord 'mummie', dat verwijst naar een andere godsdienst.

“Ik wilde daar de verbinding met Egypte leggen, zoals ik eerder het verband naar de tempels in Paestum legde. Een mummie, een lichaam dat wacht op het eeuwige leven, dat is een teken van een bepaald geloof. Bovendien suggereert dat woord meteen dat het kerkje niet meer leeft, net als 'zonder hart'. De ziel is er natuurlijk uit, doordat het niet meer gebruikt wordt, maar het altaar met de tabernakel is er eveneens uit - dat is ook het hart van de kerk.”

Hoe kan een kerk een landschap beschermen?

“Er bestaat een Groningse heilige, Sint Walfriedus van Beedum. Van hem wordt gezegd dat hij de dijken aanlegde. Vroeger gebeurden belangrijke ingrepen in het landschap in het besef dat men iets deed dat bijna ongeoorloofd was, dat je de goden tartte. Daarom is de dijkaanleg denk ik aan Walfriedus toegeschreven: die was een heilige, die mocht dat doen.

Latere generaties hebben natuurlijk ook in het landschap ingegrepen, mijn grootvader heeft ingepolderd en afgegraven - maar dat ging tot voor kort in een organisch tempo, naar de behoeftes van de plek en van de mensen. Nu gaat het zo rigoureus dat in één generatie een landschap totaal vernietigd en veranderd wordt en vooral, in mijn ogen, verlelijkt. De menselijke maat wordt met voeten getreden.

“Het respect dat men vroeger had voor de eigen omgeving is verdwenen en dat heeft ook te maken met het verdwijnen van het godsbesef. Dat houdt het respect levend, en het besef dat we meer rentmeesters zijn dan uitbuiters. Een kerk geeft nog uitdrukking aan het vroegere gevoel. Dat zit achter die vraag.”

Zijn het wel echte vragen, of zijn ze eigenlijk retorisch?

“Het zijn echte vragen. Die me heel wezenlijk aangaan. Ik hoop echt dat het toch niet allemaal verdwenen is.”

In de derde strofe verandert het perspectief - dan gaat het niet meer over wat de kerk betekent, maar over de kerk als gebouw.

“Je kunt het heel concreet zien: ik zit daar, op een mooie zomeravond, zoals ik daar zo vaak gezeten heb. Ik hoor allerlei weidevogels, grutto, tureluur, kievit - maar het zou te biologisch worden om die allemaal in het gedicht te noemen, dus daarom alleen de grutto. De koeien loeien om gemolken te worden - vandaar 'melkvee' - de avondlucht is vol geluiden van leven. Dat kerkje centreert alles en geeft aan die geluiden ook hun eigenlijke 'klankbetekenis'. De geluiden hebben dat kerkje nodig, daarom is het een 'klankkast voor buiten'. Het versterkt het besef dat het niet allemaal betekenisloos, zomaar, zonder meer is.”

Dan zegt u iets verbazingwekkends: 'zo gesloten (-) ben je het mooist: dicht'. U wilt het kerkje dood houden.

“Ja, want dat andere kan niet meer.”

Er zijn toch ook nog levende kerken. U bedoelt misschien dat ú dat andere niet meer kunt.

“Nee, ik kan dat niet meer. Omdat je dan te maken hebt met leerstellingen en instituten - bij het instituut kerk wil ik niet horen. Ik ben er niet ongevoelig voor maar echt een geloof omhelzen kan ik niet.

“Ik zeg het allemaal met weemoed, omdat er wel iets weg is. Maar in zekere zin blijft het bewaard, in het kerkgebouw zelf. Het gebruik van het kerkje zit er natuurlijk nog in, dat zit in de stenen, in de uitgesleten drempel, het gezang zit nog in de gewelfjes. Het kerkje belichaamt toch nog iets - en dat komt als het ware tot klinken door al die buitengeluiden en geeft ze hun volheid.”

De laatste regel 'van het uitblijvend antwoord de schrijn', die gaat over het gedicht zelf?

“Ja - en over het kerkje natuurlijk. Ze bewaren beide iets dat er niet is. Er komt geen antwoord, maar er is wel degelijk een schrijn.”

Dit gedicht zal worden opgenomen in uw nieuwe bundel 'Spolia'. Wat betekent die titel?

“Jaren geleden was ik eens in Rome waar ik een basilica bezocht die op een oude tempel was gebouwd die op zijn beurt weer op een oud Romeins gebouw stond. Een vriend die gespecialiseerd is in vroeg-christelijke kerkbouw legde me uit dat resten van het ene gebouw in het andere gebouw verwerkt waren en die resten noemde hij, met de daarvoor geldende term, 'spolia': hergebruikte elementen. Toen wist ik: zó moet mijn bundel heten. Omdat poëzie altijd gebruik maakt van brokstukken van voorgangers, en ook van oude vormen, zoals het sonnet. En omdat het woord inhoudelijk goed bij deze bundel past. Zoals je aan dit gedicht kunt zien.”

Kerkje van Fransum

Bestaat nog god, kleine sarkofaag

van het geloof, even leeg

als de dorische tempels van Paestum:

hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels

dan goden - als ik naar hem vraag?

Kleine mummie van steen

zonder hart, tabernakel

zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je

met jouw lichaam ons landschap

als bodem voor hemel? ik vraag maar.

Stille klankkast voor buiten, voor grutto's

in juni, het loeiende melkvee bij 't hek -

zo gesloten, een avond, ik zit in het gras

tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:

dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.

C.O. Jellema