Het boost

“Ik ben boos”, zei de tor, op een middag in de winter.

“Maar ik ben nog veel bozer”, zei de aardworm.

Ze zaten naast elkaar in de schemering, onder de rozenstruik.

“O nee”, zei de tor, “daar is geen sprake van”.

“O nee??” riep de aardworm.

“Nee!!” riep de tor.

Ze sprongen overeind en werden nog veel bozer. Hun hoofd en hun schouders werden rood van woede, en al gauw stonden er dieren om hen heen die hen met verbazing bekeken.

“Wat zijn díe boos...”, zeiden ze.

“Maar ik ben het boost!” riep de tor.

“Ik! Ik!” riep de aardworm.

De dieren liepen om de tor en de aardworm heen, voelden voorzichtig even aan hun woedende schouders, brandden hun vingers en veren, schudden hun hoofd en overlegden met elkaar.

Pas na lange tijd waren ze het met elkaar eens en zeiden ze: “Jullie zijn allebei heel boos. Maar de tor is het boost.”

“Aha”, zei de tor, “dat wist ik wel.” Hij glimlachte tevreden en knikte naar de dieren.

De aardworm begon nog heviger te razen en te tieren.

“Nee, ik ben het boost! Ik!” gilde hij. De dieren deinsden achteruit of vielen achterover. Uit de ogen van de aardworm spatten vonken in het rond. Gras vloog in brand. En nog steeds werd de aardworm bozer en bozer.

De tor fronste zijn wenkbrauwen, keek naar hem en dacht: dat is inderdaad wel erg boos, en toch ben ik nóg bozer..., dat vonden ze toch...? Hij dacht even na, schraapte toen zijn keel en begon zo boos te krijsen als nog nooit iemand had gekrijst.

De dieren weken nog verder uiteen en holden tenslotte weg.

“Ja”, zeiden ze angstig tegen elkaar. “De tor is echt het boost.”

“Ja!”, krijste de tor. “Ja! Ja!” Hij glimlachte niet meer.

Stampvoetend en krijsend stonden de tor en de aardworm naast elkaar, midden in het bos, en het duurde heel lang voor ze niet meer boos waren.

Toen bliezen ze op elkaars schouders en gaven er vervolgens een klein, vriendelijk klopje op.

“Jij was ook heel boos, aardworm”, zei de tor.

“Maar jij was het boost”, zei de aardworm.

“Ach...”, zei de tor en hij sloeg verlegen zijn ogen neer.

Even later gingen ze naar het huis van de aardworm, om iets zwarts te eten. De maan kwam op en af en to e kraakte er een tak in een boom of in het nevelige struikgewas. Het was een kalme nacht.