Gepensioneerden zonder stem

Het pensioengeld is van de werknemers. De werknemers moeten daarom als enigen in de pensioenfondsen zeggenschap over dit geld hebben.'' Met deze duidelijke woorden vertolkte oud-FNV-voorman Bode in 1987 zijn mening over de wenselijke inspraak op pensioenterrein. Het pleidooi voor meer zeggenschap lijkt politiek gehoor te gaan vinden.

Bij de presentatie van een rapport van de ouderenorganisaties de afgelopen week, bepleitte staatssecretaris De Grave van sociale zaken en werkgelegenheid een uitbreiding van de zeggenschap van deelnemers en ex-deelnemers bij pensioenfondsen. Wie betaalt moet ook iets te zeggen hebben, zo stelde De Grave.

Dit punt is niet nieuw. Al bij invoering van de aow in 1956 vroeg de Tweede Kamer aandacht voor het feit dat gepensioneerden niet in de besturen van pensioenfondsen zijn vertegenwoordigd. Tot een 'cliënten-participatie' in het bestuur van pensioenfondsen heeft dit echter niet geleid. De besturen van pensioenfondsen zijn traditioneel paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de werknemers en de werkgevers repectievelijk hun organisaties.

Via een initiatief-wetsvoorstel van het toenmalige D66-Kamerlid Nypels is eind jaren tachtig een vergeefse poging gedaan om ook deze gepensioneerden en ex-deelnemers een eigen plaats in de pensioenfondsbesturen te geven.

De sociale partners stellen zich op het standpunt dat de verhoudingen binnen het bestuur van een pensioenfonds een evenredige afspiegeling moeten zijn van het kader waarbinnen de pensioenregeling tot stand komt. Dat kader vormt de onderhandelingstafel voor het arbeidsvoorwaardenoverleg. De toelating van een derde partij in het pensioenfondsbestuur zou een ontoelaatbare inbreuk vormen op de arbeidsvoorwaardelijke oorsprong van de pensioenregeling. Toen daarom de uitbreiding van de pensioenfondsbesturen niet haalbaar bleek, heeft Nypels zijn wetsvoorstel zo veranderd dat er een nieuw medezeggenschapsorgaan bij pensioenfondsen mogelijk werd, de zogenaamde deelnemersraden.

Deelnemersraden zijn samengesteld uit werknemers en gewezen deelnemers bij een pensioenfonds en hebben op grond van de Pensioen- en Spaarfondsenwet een adviesrecht ten aanzien van enkele belangrijke beslissingen van de pensioenfondsbesturen. Daaronder zijn begrepen de belissing tot wijziging van de statuten en het pensioenreglement, de wijziging van pensioenrechten, de toekenning van toeslagen en de overdracht van pensioenverplichtingen.

Toch neemt het bestaan van het fenomeen deelnemersraden bij veel gepensioneerden en ex-deelnemers niet het gevoel weg dat over hun hoofd heen, over hun belangen en over hun geld wordt beslist. Als oorzaak voor deze onvrede kan op de eerste plaats genoemd worden dat er voor pensioenfondsen geen wettelijke verplichting aanwezig is om een deelnemersraad te installeren. Een ondernemingspensioenfonds moet daartoe pas overgaan, indien een verzoek wordt ingediend door minimaal vijf procent van de in het fonds deelnemende werknemers en gewezen werknemers. Voor een bedrijfstakpensioenfonds is een verzoek nodig van vakbonden of ouderenorganisaties die minimaal vijf procent van de deelnemende werknemers en gewezen werknemers onder hun leden hebben. Pensioenfondsen die geen deelnemersraad hebben, voorzien overigens vaak wel in een andere vorm van inspraak voor gepensioneerden, bijvoorbeeld door het - onverplicht - opnemen van een gepensioneerde in het bestuur of door medezeggenschap toe te kennen aan een vergadering van gepensioneerden.

Een tweede reden voor onvrede is dat deelnemersraden niet meer dan een adviesrecht hebben en dus geen instemmingrecht. De deelnemersraad kan een klacht indienen bij de Verzekeringskamer, waarna de Verzekeringskamer binnen een jaar een niet bindend oordeel moet geven. De wettelijke regeling voorziet niet in een opschorting van de beslissing van het penioenfonds, noch in een beroepsmogelijkheid bij de rechter, zoals dat bekend is uit de Wet op de ondernemingsraden voor het geval een werkgever afwijkt van het advies van de ondernemingsraad.

Een ander punt is de onduidelijke wettelijke regeling omtrent de benoeming van gepensioneerden in de deelnemersraad. De deelnemersraden zijn bedoeld om met name de zeggenschap van ex-deelnemers te vergroten, maar de wet geeft gepensioneerden zelf niet het recht hun eigen vertegenwoordigers in de deelnemersraad te benoemen. Dit oogt onbevredigend. Waarom zouden gepensioneerden zelf niet hun eigen vertegenwoordigers mogen benoemen? Door de benoeming van de leden van de deelnemersraad neer te leggen bij de werkgever en vakbonden, bepalen bovendien dezelfde partijen die al in het bestuur van een pensioenfonds vertegenwoordigd zijn ook de samenstelling van de deelnemersraad.

Een laatste punt van onvrede bij de deelnemersraad betreft het ontbreken van scholingsregelingen, de afwezigheid van een regeling omtrent kostenvergoedingen en het ontbreken van de bevoegdheid van de deelnemersraad om een deskundige op kosten van het pensioenfonds te raadplegen. Zonder dergelijke faciliteiten is de deelnemersraad eigenlijk monddood en een wassen neus. Bij een heroverweging van de medezeggenschap zijn dit allemaal punten die voor verbetering vatbaar zijn, waarbij dan tevens de verplichting om tenminste één gepensioneerde in het bestuur van een pensioenfonds op te nemen opnieuw bekeken kan worden.

Bij de hele medezeggenschap blijft het ondertussen opvallend dat de aandacht volledig uitgaat naar pensioenfondsen. Ook als de pensioenregeling bij een verzekeringsmaatschappij is ondergebracht betalen werknemers mee voor hun pensioen. Moeten werknemers en in het verlengde daarvan gewezen werknemers dan ook inspraak krijgen bij verzekeringsmaatschappijen? Het idee lijkt revolutionair, maar is in moderne pensioencontracten al realiteit.

Uiteraard kan het niet zo zijn dat werknemers het beleid van een verzekeraar gaan bepalen of een bestuurszetel claimen, net zomin als de werkgever als zodanig zitting heeft in het bestuur van een verzekeringsmaatschappij. Maar binnen het raamwerk van een pensioenverzekerings-overeenkomst kunnen de (gewezen) werknemers invloed hebben bij de beleggingen of bij de besteding van de overreserves.

Voorzichtigheid is bij deze zeggenschap natuurlijk wel geboden, want voor pensioenfondsen en nog sterker voor verzekeringsmaatschappijen staat voorop dat zij hun contractuele verplichting tot het uitkeren van de toegezegde pensioenen tegen de overeengekomen premie moeten nakomen. Deze voor het toekomstige pensioeninkomen van de betrokkenen essentiële verplichting mag niet in de waagschaal worden gesteld door behartiging van eigen belangen door gepensioneerden die hun binding met de onderneming of bedrijfstak hebben verloren. Professionaliteit en onafhankelijkheid gecombineerd met beperkte zeggenschap van belanghebbenden lijkt dan ook de aangewezen toekomstroute voor het managen van pensioenfondsen en van pensioencontracten bij verzekeraars.