Een torretjes etende beschermengel; Geestig kinderboek van Joke van Leeuwen

Joke van Leeuwen: Iep! Uitg. Querido, 151 blz. Prijs ƒ 24,90 (verschijnt in de eerste week van september). Vanaf 9 jaar.

Soms zegt ze 'piepie' of 'miemie' of 'ik miet un bieteriemetje mit piendekies,' maar meestal zegt ze enkel 'iep.' De hoofdpersoon uit het nieuwe boek van Joke van Leeuwen praat alsof ze piept en daarom zien haar pleegouders zich genoodzaakt haar naam, Vogeltje, te veranderen in Viegeltje. Ze is een speling van de natuur, of gewoon een wonder: 'een vogel in de vorm van een meisje. Of een meisje in de vorm van een vogel. Of iets daartussenin.' Ze heeft vleugels waar mensen armen hebben en eet graag torretjes. Maar haar beentjes lijken op die van mensen en haar gezicht ook.

De gedachten van dit vreemde vogelmeisje blijven onbekend, of misschien reiken ze ook niet verder dan wat ervan verteld wordt: zin in eten, drinken, slapen en vliegen. Al snel verdwijnt ze, het raam uit, en de rest van het boek is gevuld met de zoektocht van haar pleegouders, die zo graag nog even dag hadden gezegd, of 'dieg' desnoods.

In korte tijd is het echtpaar Warre en Tine gehecht geraakt aan hun vondeling, al houdt de conservatieve Warre eigenlijk niet van verrassingen. Totdat hij Viegeltje vindt, zomaar onder een struik, was zijn liefste wens een boek waar de hele wereld in beschreven stond. Een boek zoals zijn vogelboek, om alles even in op te kunnen zoeken om te merken dat het klopt. Viegeltje klopt van geen kanten, toch blijkt hij van haar te kunnen houden.

Zijn vrouw Tine vindt een regelrechte levensvervulling in Viegeltje. Ze leert haar praten, waarbij ze zich al snel beperkt tot zinnen waarbij het spraakgebrek niet zo opvalt, zoals 'drie vrienden zien een lieve brief', en voert haar geduldig insekten. Soms vindt ze het moeilijk dat het geen gewoon kindje is dat Warre gevonden heeft, waarvan mensen konden zeggen: 'Goh, wat lijkt zij op u.' Maar toch; tot de komst van Viegeltje had ze weleens het gevoel dat ze iets miste, zonder te weten wat precies, en als Vliegeltje verdwenen is constateert zij nuchter: 'Nu weet ik iets.'

Het is voor het eerst dat twee volwassenen zo duidelijk de protagonisten zijn van een boek van Joke van Leeuwen. Veel van haar werk is geschreven vanuit het gezichtspunt van een kind. 'Grote mensen' zijn dan meestal egocentrisch en kortaf, behalve als ze zich in de marge van de samenleving bevinden.

Als Iep! vanuit het perspectief van Viegeltje was geschreven, zou de lezer zich steeds met haar hebben afgevraagd waarom haar pleegouders haar knellende schoenen aantrokken, waarom ze haar vleugeltjes moest bedekken en waarom ze zo nodig met vork en mes moest eten. Nu geeft het boek een innemend beeld van de goede bedoelingen van een ouderpaar, dat volkomen oprecht het beste met hun kind voorheeft. Ook wordt inzichtelijk gemaakt, zonder opdringerige uitleggerigheid, hoe het voelt als je kroost uitvliegt, hoe moeilijk het voor ouders is te accepteren dat een kind zijn eigen weg zoekt (in Viegeltjes geval leidt die weg uiteraard naar het Zuiden.)

Na het 'literaire stripboek' De wereld is krom maar mijn tanden staan recht dat vorig jaar verscheen, is het alsof Van Leeuwen het experimenteren een beetje moe is. De nadruk ligt minder op de vorm en zij verlegde haar aandacht weer van de tekeningen naar de tekst. Bovendien is Iep! een luchtiger en eenvoudiger boek, waarin dromen weer duidelijk dromen zijn in plaats van plotseling opduikende, wurgende angsten waarvan onduidelijk is of ze reëel zijn.

Van Leeuwen keerde in Iep! terug naar de traditionele vertelvorm van veel van haar eerdere boeken. Een alwetende verteller, die alle personages tegelijk kan zien en doorgronden, verhaalt in chronologische volgorde de gebeurtenissen. De opbouw is in feite die van het voor kinderen altijd spannende 'stapel-verhaal.' Warre en Tine reizen achter Viegeltje aan, die geregeld een huis binnen vliegt, daar iemand ontmoet, om vervolgens weer te vertrekken. Even later arriveren de ouders dan op diezelfde plek, waarop de huisbewoner, die ook wil weten hoe het verder gaat met het vogelmeisje, zich bij hen aansluit.

Zo ontmoeten zij onder meer het eenzame meisje Loetje en het jongetje Bor, opgesloten in een 'horstel' (een herstellingsoord) omdat hij zo bang is voor spoken. Viegeltje is nooit ver weg, en iedereen ziet haar wel een keer voorbij komen tijdens de zoektocht, behalve de ongeruste ouders. Een van de personages ziet haar aan voor zijn beschermengel en in zekere zin is Viegeltje dat ook, voor iedereen. Wie naar haar op zoek gaat, vindt steevast iets anders waar hij naar verlangde: vriendschap, een levensvervulling of genezing van zijn spokenangst.

Tussen de gebeurtenissen door is, soms in woorden, soms in tekeningen, soms in beide, alle ruimte voor verrassende overpeinzingen. Meestal hebben die betrekking op taal: 'Er was zoveel waarvoor geen woorden waren gemaakt. En je kon wel een woord bedenken, maar als niet iedereen dat woord kende, had je er niets aan. Behalve sommige woorden, sommige woorden hoefden maar een paar mensen te kennen om ze toch te kunnen gebruiken. Warre wist bijvoorbeeld precies wat ze (Tine - J.E.) bedoelde als ze zei humsel me of je horpt zo. Hij wist dat.'

Ook uit losse zinnetjes sprankelt Van Leeuwens geestigheid. Door woordspelingen en personificaties bereikt zij dat gewone dingen grappig worden: er wordt 'macaroni met ham en haast' gegeten en een bonbon heeft 'het heel warm (-) gekregen naast de thee.' Dialogen weet ze tot de essentie terug te brengen: 'Was het? Maar? Hoe kan? Niet? Of?' 'Ja,' snotterde Tine, 'het is precies zoals je het zegt.'

De tekst en de tekeningen hebben elkaar nodig, meer dan in de meeste andere kinderboeken, want Van Leeuwen tekent wat zich moeilijk(er) laat beschrijven en beschrijft wat zich moeilijk(er) laat tekenen. Het gaat erom wat het beste werkt. De tekeningen maken deel uit van de tekst, ze staan tussen de woorden door zonder de loop van het verhaal te storen. Het meisje Loetje is niet verbaasd als Viegeltje door haar raam komt vliegen. 'Ze had altijd wel gedacht dat er een keer bijzonder bezoek zou komen (-) Zo een bijvoorbeeld.' (een tekening van een jongetje dat aan het plafond hangt) 'Of zo een.' (een man met een enorme baard, die olijk vraagt: 'Zullen we kappertje spelen?') De illustratie geven de absurde implicaties van de tekst weer. Na de opmerking dat aaien en lekkere hapjes troostend werken, en dat een aai met een lekker hapje misschien wel dubbelop troost, staat er koeltjes: 'Maar zoiets wordt niet veel gedaan.' Op de illustratie is duidelijk te zien waarom. Een kaal mannetje ligt met het hoofd op tafel te huilen, een ander smeert sussend een hand vol kleverig eten over zijn kruin.

UIT: JOKE VAN LEEUWEN, IEP!

'Iep,' zei het spookje.

Bor had altijd gedacht dat spookgeluiden veel oe's en aa's hadden, en juist geen ie's.

'Ik weet dat jullie niet bestaan,' zei hij langzaam. 'Maar tegelijkertijd ook niet niet en dat is wel. Ik zie wel dat jij daar niet niet zit. Ik zou eigenlijk niet niet iets te drinken aan je moeten geven. Dat doen wij thuis niet niet als iemand niet niet op bezoek komt, dus dat zou niet niet moeten, of vind je niet niet niet of welnee?'