Een kraakpand ontwerpen; Het schots en scheve oeuvre van Ben van Berkel

De Erasmusbrug die Ben van Berkel voor Rotterdam ontwierp is een juweel. De ijle lijn van het eindeloos over het water reikende brugdek vormt samen met de fiere, hooghartig achterover neigende pyloon een onvergetelijke compositie. De brug is niet ten prooi gevallen aan de razende vormdrift die andere bouwwerken van Ben van Berkel kenmerkt.

Bestaan er lelijke bruggen? Ik ken ze niet. Toch behoort de brug tot het domein van de architectuur. Een brug wordt hoe dan ook ontworpen, daarom is de ene brug mooier dan de andere. Van alle architectonische verschijnselen moet de brug wel het dichtst bij de natuur staan, in de buurt van de bomen bijvoorbeeld. Bomen verschillen ook van elkaar in vorm, kleur en materiaal maar zullen nooit uitgesproken lelijk uitvallen.

Op 4 september zal koningin Beatrix in Rotterdam de Erasmusbrug in gebruik stellen. Als de geboorte in de dierentuin van een hoogst zeldzaam beest is de afgelopen tijd de langdurige bevalling stapje voor stapje te volgen geweest. Elke bijzondere fase van de op- en aanbouw werd met een juichend bulletin en een spectaculaire foto wereldkundig gemaakt. Geen aanstekelijker publiciteitsagent dan de Rotterdammer die trots is op zijn stad.

Wij waren er op voorbereid, maar het kan nu definitief worden bevestigd: de Erasmusbrug van de Amsterdamse architect Ben van Berkel (1957) is inderdaad een juweel geworden. De omstreden en kostbare keuze voor de hangbrug met de enkele geknikte pyloon, blijkt een keuze te zijn geweest voor een regelrecht kunstwerk van 370 meter lang en 135 meter hoog. Al in 1992 is naar aanleiding van de brug een prijs uitgedeeld. De Rotterdamse gemeenteraad werd toen voor haar moedige beslissing beloond met de Theo Limpergprijs, een onderscheiding voor 'oorspronkelijkheid met betrekking tot industrieel ontwerpen'. Indruisend tegen de alomheersende beleidstrend had de raad bewust voorrang gegeven 'aan de verbeelding boven de macht van de financiën', zoals in het juryrapport stond. Want de brug van Van Berkel was dertig miljoen gulden duurder dan het alternatief, de 'vier-stokkenbrug' van Gemeentewerken naar een ontwerp van Maarten Struijs. Deze brug was weliswaar ook niet lelijk - lelijke bruggen bestaan immers niet - maar oneindig minder opwindend dan De Zwaan, zoals de bijnaam luidt van de sierlijke stadsbrug van Van Berkel.

De ijle lijn van het eindeloos over het water reikende brugdek vormt samen met de fiere, hooghartig achterover neigende pyloon een onvergetelijke compositie. Omdat de Erasmusbrug deel is van een lint dat doorloopt in beide stadsdelen die de brug met elkaar verbindt, wordt de kracht van het ruimtelijk beeld nog eens versterkt. Dat heeft zij voor op de nabijgelegen Willemsbrug die op beide oevers geen uitloop is gegund waardoor het lijkt of de stad het machtige, rode gevaarte nooit van harte ontvangen heeft. Het is een ongelijke strijd. De uitdagend gelegen Zwaan is het zelfs gegeven om met haar lange, transparante tuiensleep van de toeschouwer ook een toehoorder te maken. Want onwillekeurig luister je of Peter Schat gelijk had, toen de keuze nog moest vallen en hij het zwanenplan in deze krant beminnelijk toedichtte: 'Hier zal de zeewind in de kabels harp spelen, want de aanblik van dit beeld maakt het hart van de beschouwer lichter.'

Gat van Royal

De Erasmusbrug is een van de vele werkstukken waarmee het gebouwde oeuvre van Ben van Berkel - samen met Caroline Bos verantwoordelijk voor architectenbureau Van Berkel en Bos - dit jaar een opmerkelijke uitbreiding beleeft. In Enschede kreeg het Rijksmuseum Twenthe van Van Berkel en landschapsarchitect Lodewijk Baljon een drastische verjongingskuur. De Nieuwezijds Kolk in Amsterdam is niet meer te herkennen door een immens complex van Van Berkel-creaties, bestaande uit een kantoorgebouw, woningbouw, een hotel en een winkelpassage die het voormalige 'gat van Royal' vult tot aan de Nieuwendijk. Ook in Amsterdam is de Piet Hein-tunnel onder het Amsterdam Rijnkanaal naar Zeeburg in staat van wording. Het zijn de jongste, grote projecten van Van Berkel, die nu werkt aan een nieuw museumgebouw in Nijmegen.

Een van de opvallendste kenmerken van de bouwkunst van Ben van Berkel is het ontbreken van symmetrie en de afwezigheid van de rechte hoek. Bij hem staat alles schots en scheef. Dat komt omdat, naar zijn overtuiging, de schuine en vloeiende lijn de ruimte opwindender maakt dan steeds maar weer die wurgende, rechthoekige blokken van het dogmatisch modernisme. Bovendien appelleert schuin, vloeiend en plooiend aan mobiliteit, snelheid en beweeglijkheid en dat zijn, ook in de architectuur, de sleutelbegrippen van deze tijd. Niets staat vast, letterlijk en figuurlijk.

Van alle recente werken van het bureau Van Berkel en Bos is de Erasmusbrug eigenlijk het minste Van Berkeliaans. De brug is aristocratisch eigenzinnig, niet brutaal eigenwijs. De compositie van de civieltechnisch constructie is voor een normaal mens te begrijpen en is niet ten prooi gevallen aan de razende vormdrift die andere bouwwerken van Ben van Berkel zich vaak van hun schepper moeten laten welgevallen.

Van Berkel heeft alle vertrouwen in de computer als instrument waarmee een volkomen nieuwe architectuur kan ontstaan. Voor de Zwaan heeft de architect, samen met een legioen ingenieurs, vanzelfsprekend ook zijn toevlucht tot de computer genomen. Hij gebruikte de elektronische wonderdoener als reken- en tekenmachine, maar ook als schaaf en als schuurpapier. Zoals Brancusi de volmaakte vorm van zijn 'ei' bereikte door met engelengeduld eindeloos te schuren, tekende Van Berkel's computer een paar honderd modellen om de exacte mate van slankheid van de pyloon te vinden, om de enig juiste doorsnede van de tuien te bereiken en om tot op de millimeter de dikte en glooiing te bepalen die het zware brugdek zo licht als een vlinder maken. De schuine lijnen die het werk van Van Berkel kenmerken, blijven beperkt tot de kabel-sluier. Maar deze waaierfiguur is niet uniek en is terug te vinden bij vele tuibruggen, ook bij de vier-stokkenbrug van Maarten Struijs die voor de Zwaan het loodje moest leggen.

De vers ogende hellingbaan voor de ingang van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede, een zwaar, kloosterachtig baksteengebouw uit 1928, is onmiskenbaar van de hand van Van Berkel. Gedreven door zijn mobiliteitsgeloof maakte hij van de betonnen invalidenoprit een mini-snelweg. Het geringe hoogteverschil vroeg slechts om een enkele haarspeldbocht, maar door de beperkte horizontale ruimte is deze zo scherp geworden dat een rolstoel de draai nauwelijks in een keer kan maken. De oprit is aan alle kanten afgebiesd met dunne stalen vangrails die door een krachtige storm lijken te zijn scheefgedrukt. Hier zien we Van Berkel op zijn baldadigst en het is jammer dat uitgerekend de museumdrempel werd getroffen door de ontwerper in overhaastige staat. De opdracht was om 'de drempel' te verlagen, maar de entreepartij oogt nu als een provisorische barricade.

Zigzagroute

Het snelwegemplacement in dwergformaaat is de signatuur van de architect, maar vormt tevens het begin van de nieuwe ruimtelijke ordening die Van Berkel in het museum heeft aangebracht. Basis van de ordening is een onafgebroken hellingbaan. Landschapsarchitect Lodewijk Baljon gebruikte de schuine baan ook bij de inrichting van de beeldentuin. Een strenge zigzagroute voert over hellende grondvlakken, met wit en grijs grind, naar het nieuwe museumcafé. Dit platte, in alle richtingen scheefgezakte paviljoen van glas, beton en aluminium, staat er onbeholpen bij tegen het decor van de oude, onverzettelijke baksteengevels. De nieuwbouw maakt de indruk van een manke figuur die tijdens het lopen is gefotografeerd en zo middenin een hompelende stap is stilgezet. Het zal vermoedelijk het effect zijn dat Van Berkel heeft beoogd, zijn architectuur bevriest graag onverwachte bewegingen. Maar het aanblik geeeft mij een ongemakkelijk gevoel, gebrekkige figuren overval je niet met een fototoestel.

Door een tweede binnenplaats te overdekken, heeft Van Berkel het Enschedese museum een grote, nieuwe tentoonstellingszaal bezorgd. Het is nauwelijks te geloven dat deze uitgewogen ruimte, vol mooie kaarsrechtstaande onderdelen, van dezelfde ontwerper is als de kinderachtige ravage voor de ingang. In een paar hoeken en in een langgerekt lichthof zijn de oude buitenmuren zichtbaar gebleven. Tegenover deze baksteenvlakken staan muurlijsten van lichtgrijs beton en hoge glaspanelen met dat gedistingeerde groenzweem. De scheefheid in wat al de erezaal wordt genoemd, is beperkt gebleven tot de hellingbanen die oplopen naar de verschillende verhoogde vloerdelen. De zaal is bedoeld voor wisselende tentoonstellingen, maar het interieur is zo monumentaal aanwezig - ook dankzij de autonome rol die aan de lichtverspreiding is gegeven - dat al te intieme kunst het hier nooit zal kunnen bolwerken.

Mammoettanker

In het hart van Amsterdam is de opmars van Ben van Berkel in volle glorie te ervaren op de Nieuwezijds Kolk, vlakbij het Centraal Station, tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en de Nieuwendijk. Het aandoenlijke Korenmetershuis uit 1620 - tegenwoordig is er de Bond Heemschut in gevestigd - heeft zich schuw en kwetsbaar nog kleiner gemaakt dan het al is. Tegen de kapitale arrogantie van het groenglazen kantoorgebouw op de hoek van de Nieuwezijds Voorburgwal en tegen de straatvechters-gevel van Hotel Inntel schuin ertegenover, is het delicate, met cultuurhistorie doordrenkte huis, niet opgewassen.

Beide nieuwbouwsels zijn ontworpen door Van Berkel en beide hadden zij op deze plaats nooit mogen verschijnen. Het ligt aan de stadsbestuurders dat de twee complexen er zijn gekomen; het ligt aan de architect dat zij deze gedaanten hebben gekregen. De gevel van Hotel Inntel verschilt nauwelijks van de gevel van een kraakpand. In de wilde, morsige collage van materialen valt geen enkele orde te ontdekken. Losgescheurde baksteenstroken zijn op kale betonplaten geplakt, ramen puilen uit en sommige verdiepingen lijken dichtgetimmerd met sloophout.

Als deze gelijkenis de bedoeling is - wat gezien de plek niet hoeft te verbazen - dan is het misplaatste humor waarbij zij aangetekend dat humor en architectuur elkaar nooit en te nimmer verdragen. Wanneer het kraakpand als inspiratiebron niet in het hoofd van de architect is opgekomen, dan blijft het even onverdraaglijk dat op deze historisch overgevoelige plek zo'n stijl- en cultuurloze manifestatie wordt opgevoerd.

Voor de mammoettanker die doodgemoedereerd zijn machtige groenglazen boeg in de Nieuwezijds Voorburgwal heeft geboord, geldt ongeveer hetzelfde. Net als met Hotel Inntel heeft Van Berkel zich met dit bouwwerk, onder luide aanmoedigingen van politiek en projectontwikkelaars, tot een provocerende vorm laten verleiden. Het schrikbarende hoekgebouw moet volgens Van Berkel verwijzen naar de anonieme, commerciële architectuur aan de rand van de stad. Dat betekent refereren aan de onsamenhangende bedrijfsparken-architectuur die de laatste jaren juist het meest onder kritisch vuur ligt. Naar deze perifere gebouwen willen verwijzen met architectuur in de historische binnenstad, is op z'n zachtst gezegd een akelig misverstand. Nieuwbouw in de oude stad is soms noodzakelijk, maar het Korenmetershuis belagen met deze proporties en met dit soort gewelddadige voorkomens, getuigt van een gebrek aan klasse.

Van Berkel heeft weleens geschreven dat hij streeft naar 'een architectuur die op zichzelf kan staan; een architectuur die haar eigen theorie heeft overleefd'. Met de Erasmusbrug in Rotterdam en de erezaal in Enschede lijkt hij deze uitgangspunten te hebben bereikt. De brug en de zaal overtuigen als zelfstandige creaties en hebben geen theorieën nodig om geappreciëerd te kunnen worden.

De entreepartij van het Enschedese museum, het kantoorgebouw en hotel aan de Amsterdamse Nieuwezijds Kolk laten een andere architect zien. In het eerste geval een ontwerper die zijn geduld en concentratie heeft verloren. Dat kan weleens gebeuren. Maar de gebouwen op de Kolk onthullen iets verontrustenders, namelijk het vermogen van Van Berkel om zich verregaand met de projectontwikkelaar te identificeren. Deze griezelige rolverschuiving is aan zijn Amsterdamse werkstukken af te lezen. Zij zijn niet tot standgekomen dankzij eindeloos schaven en schuren om de enig juiste proporties te bereiken. Het zijn juist de proporties die hier zijn zoekgeraakt.