De stad is altijd groots; Het Rotterdam van F. Bordewijk gereconstrueerd voor de film

De metamorfose die het centrum van Rotterdam sinds de oorlog heeft ondergaan, vormt een obstakel voor iedereen die F. Bordewijks 'Karakter' (1938) wil verfilmen. De producent en de regisseur van de film die volgend jaar in première gaat, besloten daarom het oude Rotterdam te herscheppen aan de hand van andere steden. “Uiteindelijk bleek dat Polen zich het best leende voor de scènes in de sloppen, terwijl België het meest in aanmerking kwam voor de industriële gedeelten.”

De film 'Karakter' (regie: Mike van Diem; met: Jan Decleir, Fedja van Huêt en Betty Schuurman) gaat in het voorjaar van 1997 in première.

Als roerdompen langs het moeras staken de hefkranen aan de kaden hun snavels schuins omhoog (-) Zo ver het oog ging, links en rechts, een stad in beweging, het water een lichtende lopende band. 'Het stiefkind onder onze grote steden,' zei hij. 'En toch het beste en het fierste. Bent u het niet met me eens?' 'Ik vind Amsterdam nòg mooier,' zei ze. 'Nee,' zei hij, 'ik niet. Rotterdam vind ik ònze stad. Juist omdat ze niet speciaal Nederlands is. Amsterdam is onze nationale stad, Rotterdam onze internationale.'

F. Bordewijk, Karakter (1938)

De schrijver F. Bordewijk (1884-1965) adoreerde de grote stad. Hij hield van de aanblik van waterwegen en spoorviaducten, van het silhouet van de industrieterreinen, van de 'overweldigende actie van handel'. De stad kon walmen en daveren, dreigen en rieken. 'Maar mooi of lelijk,' schreef Bordewijk in de novelle Dreverhaven en Katadreuffe, 'de stad is altijd groots.'

Bordewijk was een product van de stad. Hij werd geboren in Amsterdam en woonde het grootste gedeelte van zijn leven in Den Haag. Maar het was Rotterdam waaraan hij zijn hart verpandde. Vanaf het moment dat hij er ging werken, als forensende junior op een advocatenkantoor aan de Boompjes, kwam hij naar eigen zeggen nooit meer los van de stad aan de Maas waar 'het water van de zee met dat van de bergen een eeuwige bruiloft viert.'

Rotterdam werd het decor voor Bordewijks bekendste romans: Bint (1934), dat zich voornamelijk afspeelt op de statige handelsschool aan het Van Alkemadeplein waar de schrijver les had gegeven, en Karakter. Vooral in deze 'roman van zoon en vader' is de Maasstad dominant aanwezig. Het verhaal van Jacob Katadreuffe, die in zijn carrière gedwarsboomd wordt door zijn vader, de machtige deurwaarder Dreverhaven, spreekt nog extra tot de verbeelding door Bordewijks minutieuze beschrijvingen van de veelal arme buurten en stegen waar zijn personages ronddolen.

Karakter verscheen in 1938, twee jaar voordat het Duitse bombardement van de veertiende mei de Rotterdamse binnenstad in puin legde. Met Kruimeltje van Chr. van Abkoude is het de levendigste literaire herinnering aan 'Rotterdam eer de Fielt hem het hart uit de bast sneed' - om een fameuze typering van Bordewijk te citeren. Op de Laurenskerk en een handjevol gebouwen na is er weinig meer over van de biotoop van Dreverhaven en Katadreuffe. Zelfs het stratenplan is door de wederopbouw ingrijpend gewijzigd.

Leentjebuur

De metamorfose van de oude 'stadsdriehoek' (het gebied tussen Coolsingel, Boompjes en Goudse Singel) vormt een geducht obstakel voor iedereen die Bordewijks Karakter wil verfilmen. Toen Walter van der Kamp de roman in 1971 voor de televisie bewerkte (met Ko van Dijk en Lex van Delden in de hoofdrollen), koos hij dan ook zoveel mogelijk voor binnenopnames. Vijfentwintig jaar later lossen regisseur Mike van Diem en producent Laurens Geels van First Floor Features het anders op; voor hun dezer dagen gedraaide speelfilm, gebaseerd op Karakter en de minder bekende Bordewijk-novelle Dreverhaven en Katadreuffe (1928), besloten zij vooroorlogs Rotterdam te herscheppen. Niet met behulp van computersimulatie - ooit wellicht een mogelijkheid - maar door leentjebuur te spelen bij andere grote steden in Europa.

“Al snel was duidelijk dat er niet één bepaalde stad was die voor Bordewijks Rotterdam kon doorgaan,” zegt Paul Marbus, die als location supervisor van First Floor Features een onderzoek deed naar de beste mogelijkheden voor buitenopnamen. “De vraag was dus: uit welke steden kan het Rotterdam van de eerste decennia van deze eeuw gecomponeerd worden.”

Na het bekijken van oude stadsfoto's en het inwinnen van advies bij planologen, architectuurhistorici en locatiescouts van andere films (onder andere Schindler's List en het Belgische kostuumdrama Daens) maakte Marbus een lijstje van mogelijk geschikte plaatsen. “We hebben gedacht aan Birmingham, Lübeck en zelfs Boedapest. Maar uiteindelijk bleek dat Polen zich het best leende voor de scènes in de sloppen, terwijl België het meest in aanmerking kwam voor de industriële gedeelten. Overigens hebben we niet gestreefd naar een precieze reconstructie van de door Bordewijk beschreven locaties. Het ging ons in de eerste plaats om de sfeer.”

Uiteindelijk werden de meeste algemene buitenopnamen gemaakt in Wroclaw, het vroegere Breslau, dat zich vooral van Rotterdam onderscheidt doordat het als Zuid-Poolse stad niet dicht bij de kust ligt. “Maar,” verklaart Marbus, “de meer voor de hand liggende havenstad Gdansk viel af omdat daar het centrum te mooi opgeknapt was om voor het Rotterdam van Bordewijk door te gaan. Voor het havenkwartier, de locatie van onder andere de laatste woning van Katadreuffes moeder Joba, zijn we uitgeweken naar Gent en Antwerpen.”

Marbus vertelt dat het voor sommige scènes nodig was om verschillende locaties in elkaar te laten overlopen. “Aan het begin van de film, wanneer de credits over het scherm rollen, maakt Katadreuffe, gespeeld door Fedja van Huêt, een wandeling van de ene kant van de stad naar de andere. Je ziet dan niet alleen beelden van Wroclaw, maar ook van Antwerpen en Gent, en zelfs van de Dam in Amsterdam, die daar qua kleur en sfeer goed bij aansluit.”

Vratig of gul

Karakter van Bordewijk is geconstrueerd rond twee opvallende locaties: het deftige advocatenkantoor van meester Stroomkoning, waar Katadreuffe als secretaris komt te werken, en het kantoor van Dreverhaven (Jan Decleir), dat zich bevindt 'in het hart van het allerarmste van de stad'. Het advocatenkantoor, dat Bordewijk modelleerde naar het adres waar hij in 1914 kwam te werken, is gelegen aan de Boompjes, destijds een chique en bruisende boulevard waar 'de schepen, vratig of gul' lagen, tegenwoordig een vierbaansweg met flats aan de stadskant. Om de statigheid van het voorbeeld te benaderen, kozen de filmmakers voor het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden in Den Haag - ironisch, want de personages in Karakter hebben geen goed woord over voor 'dat pest-Den Haag', die 'stad van leeglopers en lammelingen'. Daarbij zijn op het Lange Voorhout 'de vorstelijke stemmen der zeeboten' ver te zoeken.

Voor de Burcht van Dreverhaven liet Bordewijk zich ook inspireren door een bestaand pand: een kazerne-achtige woning van vijf verdiepingen op de hoek van de Lange Baanstraat en de Brede Straat, die 'als een vloek opknallend temidden van een zeurige ruzie' verstopt lag in de wirwar van straatarme steegjes ten zuidwesten van de Goudse Singel. 'Het was een product van de grote stad,' schrijft Bordewijk in Dreverhaven en Katadreuffe, de oerversie van Karakter; 'gelijk ook een figuur als Dreverhaven slechts van de grote stad een schepping kon zijn.' Zeventig jaar later blijkt een vergelijkbaar pand nergens in Nederland te vinden. Historische steden als Amsterdam, Utrecht en Den Haag zijn kennelijk niet groot genoeg. De makers van de film Karakter vonden het 'blok baksteen' uiteindelijk in Hamburg.

Bijna al het karakteristieke van Bordewijks Rotterdam is verdwenen. De kleine morsige straatjes zijn nu kale doorgangswegen met hoge flats, het merendeel van de havenactiviteiten is uit het centrum verplaatst, en zelfs de eeuwoude spoorbruggen over de Nieuwe Maas zijn - na de komst van de Willemsspoortunnel - opgeruimd. Toch is er één belangrijke locatie in Karakter die bewaard is gebleven: de rivier. Met zijn moeder en met zijn enige vriend maakt Katadreuffe fiets- en wandeltochten langs de Maas. De machtige stroom richting zee is voor hem meer dan alleen een rustpunt in zijn slovige leven; hij is het symbool van zijn dromen van een betere toekomst, en ook van de kloof die hem scheidt van zijn heimelijke liefde op de Zuidoever, Lorna Te George.

Op de vraag hoe de Nieuwe Maas in de film Karakter in beeld wordt gebracht, reageert Paul Marbus met een glimlach. “Van de rivier is niet meer dan een klein hoekje in een korte opname te zien. Het bleek onmogelijk om een camerastandpunt te vinden van waaruit je geen last had van horizonvervuiling. Ik heb nog met een proefcamera onder de Hef gestaan om te kijken of beelden daarvan voor de film bruikbaar waren. Maar de omgeving was te modern.”

'Het water was haar grootste genegenheid, en het water dat was Rotterdam,' schrijft Bordewijk in Karakter over Katadreuffes trotse moeder Joba. Maar terwijl de binnenstad van Rotterdam met filmische middelen weer kan worden opgebouwd, is het vooroorlogse water voorgoed buiten bereik.

----------------------

De Boompjes

Hij zag naar het verkeer en er tegen op. Langs hem ging het langzame verkeer, met de logge, tornende sleperskarren, het snelle stroomde in het midden in twee richtingen. Rondom hem stonden kisten en balen, achter hem lagen de schepen, vratig of gul. In een overweldigende actie van handel stond hij stil; voor zijn stilstand waren niet meer dan een paar keien beschikbaar.

Het was het begin van de zomer, het was buiten nog licht. Hij liep over de Boompjes, eenzaam om dit uur. Af en toe klonk het getoeter van een stoomboot in de verte. De majestueuze geluiden weerkaatsten over de ontzaglijke waterbassins, de schoonste, machtigste, massaalste geluiden die de mens heeft geschapen, de vorstelijke stemmen der zeeboten.

De rivier en haar oevers

Het water zwoegde onder de rollende misten en de lage hemel. Heel in het westen blonk rossig vuur van een werf. Aan een machtige scheepsromp op stapel daverde van alle kanten het gehamer, in die hoek sidderde de lucht. De fabrieken konden hun rook niet kwijt in de dampkring, een zwaar dof spinsel bleef hangen, aan flarden.

De burcht van Dreverhaven

Het was voor hèm gebouwd, het stond in een blok baksteen óm hem, zonder hem had het geen ziel, de buurt sprak van het huis van meneer Dreverhaven zoals het toeristendom spreekt van de piramide van Cheops.

De plattegrond van de stad is zijn röntgenfoto, Katadreuffe had een zieke plek gevonden, tussen Goudse Singel en Klipstraat, waar het wemelde van gangen en slopjes. Daar was het kantoor van Dreverhaven. (-) Het lag op de hoek van de Lange Baanstraat en Brede Straat. Een huis gezet als een kazernewoning, een eeuw oud. De zijwand aan de Lange Baanstraat, acht ramen diep, buikte naar boven uit, het had een front van vijf ramen en hoog om het hele muurblok van diepbruine baksteen een zware kroonlijst, geschoord door korte binten, daarboven een dubbel dak. (-) Hij bleef staan op de hoek en zag hier het huis van voren. Het hing niet slechts opzij, het hing ook voorover, in een hoge dreiging boven Brede Straat en Lange Baanstraat, zijn schaduw moest lang op de plaveisels drukken.

De sloppenwijk ten zuiden van de Goudse Singel

Katadreuffe stond midden in de armoe. Het was als eertijds op het hofje, maar erger omdat hij het ontwend was geraakt. En ja, deze armoede besloten in een wijk waar hoog was gebouwd deed nóg grauwer aan. In zijn rug lag het straatje Vogelenzang, zigzaggend naar een onzichtbaar verschiet, rechts de Korte Baanstraat, en even terug een koolzwart steegje met een hol-lugubere naam van armoede: Waterhondsteeg.

Aan de hoek pakte hij zijn arm en hield hem staande, zij bevonden zich in het kurketrekkerend Vogelenzang, onder het groene licht van een gaslantaarn. Het Vogelenzang lag leeg van mensen, schuinsover was nog een ander steegje, het Korte Vogelenzang, daar klonk wat rumoer, maar er vertoonde zich niemand. In hun rug gaapte gulzig de muil van de Waterhondsteeg. Zij stonden op een kleine spookachtige plek van de nuchtere stad, onder de zeldzame spookachtige plekken de kleinste en spookachtigste.